3. Structuur in je gesprek met het GROW-model

Vier letters, vier stappen. Het GROW-model geeft een coachgesprek een ruggengraat zonder het dicht te timmeren. John Whitmore maakte het bekend, en het is nog steeds het eenvoudigste antwoord op de vraag waarom zoveel goedbedoelde gesprekken eindigen in een prettig gevoel zonder dat er iets verandert.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je waar de vier letters van GROW voor staan en hoe ze op elkaar volgen.
  • Formuleer je een doel op twee lagen: het doel van het traject en het doel van dit gesprek.
  • Breng je de huidige situatie in kaart zonder er meteen een oplossing aan te plakken.
  • Weet je hoe je voorbij de eerste twee oplossingen komt die de ander al in zijn hoofd had.
  • Sluit je af met een afspraak die klein, concreet en van de ander is.

Goal, Reality, Options, Will

De vier letters staan voor vier fasen. Bij Goal bepaal je waar het gesprek naartoe werkt. Bij Reality breng je in beeld wat er nu feitelijk gebeurt. Bij Options verzamel je mogelijkheden, zoveel mogelijk, zonder ze meteen te wegen. En bij Will, de afronding, kiest de ander er eentje en spreekt uit wat hij gaat doen.

Het GROW-model met vier stappen: Goal (doel), Reality (huidige situatie), Options (mogelijkheden) en Will (afspraak), met een gestippelde pijl terug naar een eerdere stap.
De vier stappen van GROW, met de mogelijkheid om terug te schakelen zodra er nieuw inzicht ontstaat.

De volgorde is geen wet, maar wel een houvast. In de praktijk spring je regelmatig terug: iemand die bij Reality iets nieuws ontdekt, scherpt zijn doel bij. Dat is winst, geen fout.

Goal: het doel in twee lagen

Hier gaat het bijna altijd mis, en wel op dezelfde manier. Je vraagt waar iemand het over wil hebben, hij noemt een thema, en dat thema wordt het gesprek. Een thema is geen doel. "Beter omgaan met werkdruk" is een richting waar je een halfjaar aan kunt besteden zonder dat er ooit iets afgerond is.

Daarom werk je met twee lagen. Het trajectdoel is het gedrag dat er over een aantal maanden moet staan. Het sessiedoel is wat er in dit uur concreet af moet zijn. Zonder die tweede laag zwerft een gesprek van thema naar thema en eindigt het met "fijn gesprek", zonder dat iemand kan zeggen wat er nu anders is.

Example

Coach: "Waar wil je aan het eind van dit gesprek uitkomen?"

Coachee: "Ik wil beter omgaan met werkdruk."

Coach: "Dat is een mooi trajectdoel. Wat moet er over vijftig minuten liggen zodat je zegt: dit gesprek was nuttig?"

Coachee: "Dan weet ik welke drie taken ik deze week teruggeef, en aan wie."

Het tweede antwoord is toetsbaar. Aan het eind van het uur is het er wel of niet.

Tip

Schrijf het sessiedoel aan het begin in één zin op een blaadje dat voor jullie allebei zichtbaar ligt. Waaiert het gesprek uit, dan wijs je er alleen naar. Dat werkt zachter dan een correctie in woorden, en het is van hem, niet van jou.

Reality: eerst kijken, dan pas oplossen

Bij Reality vraag je naar waarneembare zaken. Wat gebeurde er precies, wanneer, wie waren erbij, wat deed hij zelf en welk effect had dat? Meningen en verklaringen komen later. "Hij luistert nooit" is een conclusie; "ik begon drie keer aan mijn punt en werd er drie keer doorheen gepraat" is de werkelijkheid waar je iets mee kunt.

De grootste valkuil in deze fase is haast. Je hoort het probleem, je herkent het, en je schuift door naar de oplossing. Maar zolang de situatie niet scherp is, lost een oplossing iets op dat het probleem misschien niet is. Twee minuten extra bij Reality bespaart een half gesprek bij Options.

Options: voorbij de eerste twee

In de derde fase gaat het om het aantal, niet om de kwaliteit. Iemand die met een vraagstuk bij je komt, heeft doorgaans al twee oplossingen in zijn hoofd, en dat zijn precies de twee die tot nu toe niet gewerkt hebben. Pas voorbij die twee ontstaat ruimte voor iets nieuws.

Het oordeel blijft dus even buiten de deur, ook het jouwe. Ook onmogelijke ideeën blijven op de lijst, want een onhaalbaar idee bevat vaak een bruikbaar principe. En zelf zwijg je zo lang mogelijk: zodra jij een suggestie doet, stopt het denken van de ander en begint het beoordelen van jouw voorstel.

  1. Verzamel eerst zonder te wegen. Laat hem opnoemen wat hem invalt en schrijf alles op, ook wat hij er lacherig achteraan gooit.
  2. Verruim als hij vastloopt. "Stel dat tijd en geld geen rol speelden, wat zou je dan doen?" of "Wat zou iemand die je bewondert hier proberen?"
  3. Vraag naar het tegenovergestelde. "Wat zou je doen om de situatie gegarandeerd te verergeren?" De omkering levert vaak scherpe inzichten op, en de sfeer knapt er ook van op.
  4. Toets pas daarna aan het doel. Nu mag het oordeel erbij: welke opties brengen hem dichter bij wat hij wil?
  5. Laat er twee of drie over. Meer keuze vertraagt de beslissing eerder dan dat het helpt.
Example

Coachee: "Ik zie maar twee dingen: die taak teruggeven of gewoon doorbijten."

Coach: "Twee zijn er weinig. Wat zou je nog kunnen bedenken, ook als het onzinnig klinkt?"

Coachee: "Ik zou hem kunnen splitsen. Of iemand vragen om mee te kijken bij het lastige deel. Of Anne vragen hoe zij het vorig jaar heeft gedaan."

Coach: "Dat zijn er al vijf. Welke drie hebben de meeste kans om je op tijd klaar te krijgen?"

De derde optie, Anne vragen, stond niet op zijn lijstje toen hij binnenkwam. Hij kwam er zelf op, en dus voert hij hem ook uit.

Will: van gesprek naar afspraak

Een gesprek dat eindigt met "ik ga erover nadenken" is een gesprek zonder afloop. In de afronding benoemt de ander zelf wat hij gaat doen, wanneer hij dat doet en waaraan hij merkt dat het gelukt is. Jij let op vier dingen: de actie past binnen de tijd tot het volgende gesprek, staat in gedrag beschreven, hangt aan een moment vast, en heeft een benoemd obstakel met een antwoord erbij. Ontbreekt dat laatste, dan sneuvelt de afspraak bij het eerste drukke moment.

Tot slot vraag je hoe zeker hij is dat het lukt, op een schaal van één tot tien. Dat cijfer is het nuttigste meetinstrument in het hele model. Bij een zes of lager is de afspraak te groot, of hij is niet van hem. Dan verklein je hem samen tot een stap waar wel een acht op staat. Een acht die gebeurt is meer waard dan een tien die je verzonnen hebt.

De rode draad vasthouden

De letters suggereren een rechte lijn, maar zo verloopt een gesprek zelden. Halverwege de verkenning blijkt het doel te breed, of bij het bedenken van opties komt er een feit boven dat eerder niet genoemd werd. Dat is geen fout in het model, dat is het model dat werkt.

Wat je vasthoudt is niet de volgorde maar het doel. Zolang jij weet waar het gesprek naartoe moet, kun je gerust een zijpad in. Je markeert alleen hardop dat je terugschakelt: "Wat je nu vertelt zet het doel in een ander licht. Zullen we dat eerst opnieuw scherp maken?" Zo blijft hij eigenaar van de richting en verlies jij de structuur niet.

Drie signalen vertellen je dat de rode draad wegglijdt. Het gesprek wordt een verhaal: hij vertelt uitgebreid over anderen en over de voorgeschiedenis, terwijl zijn eigen aandeel uit beeld verdwijnt. De opties gaan over een ander probleem: de oplossingen die langskomen passen niet bij het doel van het begin. De tijd is op en er is geen keuze gemaakt: alle fasen zijn aangeraakt, geen enkele is afgerond.

Exercise

Bereid een gesprek voor dat je binnenkort voert. Werk het op papier uit:

  • Trajectdoel: het gewenste gedrag over enkele maanden.
  • Sessiedoel: wat er na dit ene gesprek klaar is, zo dat je het aan het eind kunt nakijken.
  • Feiten: drie waarneembare gebeurtenissen uit de afgelopen twee weken.
  • Verschil: wat valt je op tussen het doel en de huidige situatie?

Werk daarna de afronding uit, in één zin per punt: wat gaat hij concreet doen, wanneer precies, waaraan merkt hij dat het gelukt is, wat kan het tegenhouden en wat doet hij dan, en welk zekerheidscijfer geeft hij zichzelf? Zit dat cijfer onder de zeven, maak de stap dan kleiner tot hij er wel achter staat.

Summary

  • GROW geeft vier fasen: Goal (doel), Reality (huidige situatie), Options (mogelijkheden) en Will (afspraak).
  • Het doel heeft twee lagen: het trajectdoel over maanden en het sessiedoel dat aan het eind van dit uur af is.
  • Bij Reality vraag je naar waarneembare feiten. Te snel naar oplossingen schuiven lost iets op dat het probleem misschien niet is.
  • Bij Options gaat kwantiteit vóór kwaliteit. De eerste twee oplossingen zijn de twee die al niet werkten.
  • Houd je eigen suggesties binnen: zodra jij iets voorstelt, stopt het denken van de ander.
  • Sluit af met een afspraak die in gedrag beschreven is, aan een moment hangt en een obstakel met antwoord heeft.
  • Toets met een zekerheidscijfer. Zes of lager betekent: te groot, of niet van hem.
  • Terugschakelen mag, als je hardop markeert dat je het doet. Je houdt het doel vast, niet de volgorde.
Knowledge check

Iemand noemt als doel: "ik wil beter communiceren met mijn team". Wat doe je daarmee volgens dit hoofdstuk?

Waarom houd je in de Options-fase je eigen oplossing zo lang mogelijk binnen?

Aan het eind van het gesprek geeft iemand zichzelf een vijf op de vraag hoe zeker hij is dat de afspraak lukt. Wat doe je?

Share this chapter: