1. Je stem als enige gereedschap

In een gesprek aan een bureau doet je hele lichaam mee. Je gezicht laat zien dat je meeleeft, je houding nodigt uit, je handen onderstrepen wat je zegt. Aan de telefoon valt dat allemaal weg. Wat overblijft is een smal kanaal: je stem en de woorden die je kiest. Dit hoofdstuk gaat over wat je met dat smalle kanaal kunt, en hoe je het bewust gebruikt.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je wat er precies wegvalt als de klant je niet ziet, en wat daarvoor in de plaats komt.
  • Herken je het invul-effect: het beeld dat de klant van jou maakt, en dat jij van hem maakt.
  • Ken je de vijf VITAS-factoren en kun je ze bij jezelf aanwijzen.
  • Draai je een negatief geformuleerde zin om naar wat je wél kunt doen.
  • Weet je welke drie dingen aan je werkplek hoorbaar zijn in je stem.

Twee kanalen doen het werk van drie

Normaal gesproken loopt een boodschap over drie kanalen tegelijk: je woorden, je stem en je lichaam. Aan de telefoon verdwijnt het derde kanaal volledig. Er is geen frons, geen knik en geen open handgebaar dat een ongelukkig gekozen zin nog kan opvangen. Dat betekent niet dat je woorden minder tellen, zoals de bekende percentages over lichaamstaal suggereren. Het tegendeel is waar: aan de telefoon wegen je woordkeus en je intonatie zwaarder dan in een gesprek van persoon tot persoon, want ze doen het werk met zijn tweeën.

Daar komt een handvol eigenschappen bij die telefoonverkeer echt anders maken. Je hebt geen zichtbare reactie, dus je weet niet of je uitleg landt. Een gesprek begint zonder opwarmer: de eerste seconden zetten meteen de toon. De spanningsboog is korter, want mensen zijn aan de telefoon ongeduldiger dan aan een tafel. Er zit ruis op de lijn, letterlijk en figuurlijk. En er is geen scherm om samen naar te kijken: alles wat je uitlegt, moet via woorden binnenkomen.

Het invul-effect werkt twee kanten op

Omdat de klant je niet ziet, vult zijn hoofd het ontbrekende beeld zelf in. Klink je gehaast, dan concludeert hij dat je geen tijd voor hem hebt. Klink je vlak, dan denkt hij dat het je niet interesseert. Klink je warm en geïnteresseerd, dan ontstaat het beeld van iemand die echt helpt. Je stem schildert een portret dat de klant nooit te zien krijgt, maar wel onthoudt.

En het werkt precies zo de andere kant op. Jij vult ook in hoe de klant erbij zit. Iemand die kortaf reageert kan boos zijn, maar net zo goed haast hebben omdat zijn trein over zes minuten vertrekt. Hoe minder je ziet, hoe sneller je conclusies trekt die niet kloppen. Merken dat je aan het invullen bent, is de eerste stap.

Example

Meneer De Vries belt de klantenservice van een installatiebedrijf. Hij opent met een korte, scherpe zin: "Ja, met De Vries, ik bel over die factuur van vorige week." Nieuwe collega Tim vult in: boze klant. Hij gaat rechtop zitten, praat sneller en begint met "Daar ga ik niet over, dat is de administratie." De Vries wordt nu wel boos. Zijn collega Wendy hoort in dezelfde zin vooral spanning. Zij antwoordt rustig: "Goedemiddag meneer De Vries, fijn dat u belt. Vertelt u eens wat er aan de hand is." Het blijkt om 48 euro voorrijkosten te gaan die De Vries niet verwachtte. Na drie minuten hangt hij tevreden op. Zelfde klant, zelfde factuur, ander portret.

De vijf VITAS-factoren

Je stem is geen vast gegeven. Je kunt er vijf knoppen aan onderscheiden, en die vijf samen heten VITAS: Volume, Intonatie, Tempo, Articulatie en Stemklank.

Vijf gekleurde vakken naast elkaar met de VITAS-factoren Volume, Intonatie, Tempo, Articulatie en Stemklank, elk met een korte uitleg en een aandachtspunt eronder.
De vijf VITAS-factoren: de knoppen waaraan je aan de telefoon kunt draaien.

Volume is hoe hard of zacht je praat. Te zacht en de klant moet zich inspannen om je te volgen, te hard en je komt drammerig over. Praat de klant zelf zacht, dan werkt het meestal om iets zachter te gaan praten. Roept hij boos in de hoorn, dan houd je juist bewust je normale volume aan: daarmee trek je hem terug naar jouw niveau in plaats van dat je meeschreeuwt.

Intonatie is de melodie van je stem. Een vlakke, monotone stem klinkt alsof je een tekst oplees. Met intonatie laat je horen wat belangrijk is en maak je onderscheid tussen een vraag en een mededeling. Spreek de zin "U wilt dus een afspraak maken voor volgende week" eens uit met een vraagteken aan het eind, en daarna met een punt. Zelfde woorden, andere betekenis.

Tempo is je spreeksnelheid. Onder druk gaan mensen vrijwel altijd sneller praten, vooral als ze hetzelfde verhaal die dag al tien keer verteld hebben. Vertraag altijd bij namen, bedragen, data en telefoonnummers, zodat de klant kan meeschrijven. Te langzaam werkt overigens ook niet: dan haakt de klant af.

Articulatie is hoe duidelijk je je woorden uitspreekt. Aan de telefoon ziet niemand je mond bewegen, dus ingeslikte uitgangen komen dubbel hard aan. Let vooral op het einde van je zinnen. Juist daar staat meestal de conclusie of de afspraak, en juist daar laten veel mensen de woorden weglopen.

Stemklank is de kleur van je stem: warm, koel, nasaal, vol of dun. Die is voor een groot deel aangeboren, maar niet onveranderlijk. Een hoge, gespannen stem ontstaat vaak doordat je oppervlakkig ademt vanuit je borstkas. Adem je dieper, vanuit je buik, dan zakt je stem naar een natuurlijker niveau en klinkt hij rustiger.

Tip

Glimlach voordat je opneemt. Het klinkt soft, maar het is natuurkunde: je mondholte verandert van vorm en je stem krijgt een warmere klank. Callcenters zetten daarom een spiegeltje bij het toestel. Drie seconden investering, hoorbaar effect.

Woorden die de deur openhouden

Klanten onthouden zelden de letterlijke zin die je uitsprak. Wat blijft hangen is het gevoel: werd ik geholpen, of werd ik tegengewerkt. Een groot deel van dat gevoel zit in je formulering. "Dat kan ik niet voor u doen" en "wat ik wél voor u kan doen, is een collega vragen u vandaag nog terug te bellen" bevatten dezelfde boodschap, maar de tweede laat horen dat er beweging is.

Een paar wisselingen die direct effect hebben. "U moet..." klinkt als een bevel; "het handigste is om..." niet. "Dat is niet mijn afdeling" klinkt als wegduwen; "daar weet mijn collega meer van, ik verbind u even door" niet. "Daar weet ik niets van" klinkt onbekwaam; "dat zoek ik voor u uit" niet. En het woord probleem roept lading op die je zelf toevoegt: vraag or situatie doet hetzelfde werk zonder die lading.

Let ook op het woordje "maar". Het wist alles wat ervoor stond. "Ik begrijp uw situatie, maar..." landt hard; "ik begrijp uw situatie. Tegelijk is het zo dat..." landt zacht. En kies bewust tussen ik en wij: gebruik ik als je iets persoonlijk oppakt ("ik bel u morgenochtend terug"), en wij als je beleid uitlegt. Vermijd ze and men. "Ze hebben dat zo bedacht" betekent voor de klant: hier is niemand verantwoordelijk.

Example

Een klant belt omdat een levering twee dagen te laat is. Reactie 1: "Tja, ze hebben hier nogal wat drukte gehad, dus dan loopt het soms uit. U moet even geduld hebben, ik kan er ook niets aan doen." Reactie 2: "Ik snap dat dit vervelend is, u rekende erop. Ik zoek voor u uit waar de zending nu staat en bel u binnen een halfuur terug met een update. Komt dat zo uit?" De eerste bevat schuld bij anderen, een bevel en geen enkele oplossing. De tweede bevat erkenning, een persoonlijke toezegging, een concrete actie en een checkvraag. Beide medewerkers weten op dat moment precies evenveel over de zending: niets.

Wat je werkplek verraadt

Drie dingen aan je werkplek zijn hoorbaar. Je houding: zak je onderuit, dan drukt je middenrif samen en wordt je stem dunner, hoger en sneller. Je gaat klinken alsof je haast hebt, ook als je die niet hebt. Bij een gesprek waar je tegenop ziet helpt het om te gaan staan; je ademt dieper en denkt helderder. Je headset: een hoorn tussen schouder en oor geklemd knijpt je strottenhoofd dicht en houdt je handen bezet. En je achtergrond: het geroezemoes waar jij aan gewend bent, klinkt voor de klant als een marktplein en zegt onbedoeld dat hij je volle aandacht niet heeft.

Exercise

Neem je eigen openingszin op met je telefoon en luister hem terug.

  • Tempo: neem je de tijd voor elk woord, of ratel je?
  • Intonatie: hoor je melodie, of klink je vlak?
  • Articulatie: is het laatste woord van de zin nog heel?

Kies daarna één van de vijf VITAS-factoren om een week lang op te letten. Vraag een collega om er ook op te letten en je te zeggen wat hij hoort.

Summary

  • Aan de telefoon vallen lichaamstaal en mimiek weg; je woorden en je stem doen samen het werk van drie kanalen.
  • De klant vult zelf in hoe jij erbij zit, en jij vult in hoe hij erbij zit. Beide invullingen kloppen vaak niet.
  • VITAS staat voor Volume, Intonatie, Tempo, Articulatie en Stemklank: vijf knoppen waaraan je bewust kunt draaien.
  • Pas volume en tempo aan op de klant, maar blijf bij een boze beller juist rustig op je eigen niveau.
  • Vertraag bij namen, bedragen en data, en maak het laatste woord van je zin af.
  • Zeg wat wel kan in plaats van wat niet kan, vermijd "maar", "ze" en "men", en kies bewust tussen ik en wij.
  • Houding, headset en achtergrondgeluid zijn alle drie hoorbaar aan de andere kant van de lijn.
Knowledge check

Waarom wegen je woorden aan de telefoon zwaarder dan in een gesprek van persoon tot persoon?

Een klant schreeuwt boos in de hoorn. Wat doe je met je volume?

Welke zin sluit het gesprek af in plaats van het open te houden?

Share this chapter: