3. Sturen met luisteren en vragen

Je neemt op en er rolt een verhaal uit de hoorn waar je niet op gerekend had. Een klant die over drie dingen tegelijk begint, of over één ding dat hij niet goed onder woorden krijgt. Je kunt dan twee kanten op: meevaren tot het gesprek vanzelf ergens eindigt, of het sturen. Sturen doe je niet door harder te praten, maar door te luisteren en op het juiste moment de juiste vraag te stellen.

Learning objectives

After this chapter:

  • Ken je het verschil tussen horen, passief luisteren en actief luisteren.
  • Weet je hoe je aan de telefoon hoorbaar maakt dat je luistert.
  • Herken je de vijf blokkades die je eigen luisteren in de weg zitten.
  • Kun je de vraagtrechter toepassen: van open via sturend naar gesloten.
  • Vraag je door op de aanleiding en vind je de vraag achter de vraag.
  • Zet je een samenvatting in als stuurmiddel, niet alleen als afsluiting.

Horen, passief luisteren, actief luisteren

Er zitten drie niveaus in luisteren. Horen is waarnemen dat er iemand praat, zonder de inhoud te verwerken; dat gebeurt als je in je hoofd al met je antwoord bezig bent. Passief luisteren is de inhoud volgen zonder te laten merken dat je luistert. Voor de klant voelt dat als praten tegen een muur, en aan de telefoon merkt hij het aan wat er niet gebeurt: geen reactie, geen samenvatting, een stilte op een raar moment. Active listening is de inhoud volgen én hoorbaar maken dat je erbij bent.

Dat "hoorbaar maken" is aan de telefoon geen bijzaak. Je kunt niet knikken. Zonder korte bevestigingen ("ja", "hm-hm", "ik begrijp het", "ga verder") wordt de beller onzeker en vraagt hij binnen twintig seconden: "Bent u er nog?" Wissel die bevestigingen wel af. Tien keer "ja" achter elkaar klinkt als afhandelingsgeluid, niet als aandacht.

Vijf dingen zitten actief luisteren in de weg, en ze zijn allemaal herkenbaar. Voorbarig invullen: na drie zinnen denk je te weten waar het over gaat. Selectief luisteren: je hoort vooral wat past bij wat je verwachtte. Oordelen tijdens het luisteren: je vormt een mening ("die zeurt") die de rest van het verhaal kleurt. Afgeleid zijn: een binnenkomende mail, een collega die iets vraagt. En te snel willen oplossen: je hoort een probleem en schiet in de oplossingsstand, waardoor je de echte vraag mist.

Tip

Wil je weten of je actief luisterde? Tel na afloop hoe vaak je hebt samengevat en hoe vaak je hebt doorgevraagd. Minder dan twee van elk in een gesprek van een paar minuten betekent bijna altijd dat je in de passieve stand zat.

De vraagtrechter

Vragen zijn je stuur. Niet elke vraag stuurt dezelfde kant op, en de volgorde waarin je ze stelt maakt het verschil tussen een gesprek en een verhoor. Bouw je gesprek daarom op als een trechter: breed beginnen, dan versmallen, dan vastleggen.

Een trechter in drie lagen: bovenaan breed de open vragen, in het midden de sturende vragen en samenvattingen, onderaan smal de gesloten vragen, met per laag een voorbeeldzin.
De vraagtrechter: open beginnen, sturend versmallen, gesloten vastleggen.

Bovenaan staan de open vragen. Die beginnen met wat, hoe, wanneer, waar of wie, en de klant kan er niet met ja of nee op antwoorden. "Vertelt u eens, wat ziet u op die factuur dat niet klopt?" levert je in één keer het hele verhaal op, inclusief de details waar je anders zes vervolgvragen voor nodig had. Gebruik ze aan het begin, en opnieuw op elk moment dat je merkt dat je te weinig weet.

In het midden zitten de sturende vragen en samenvattingen. Die geven richting: "Dus als ik het goed begrijp, wilt u vooral weten wanneer de monteur langskomt?" of "Zou het u helpen als ik nu meteen een nieuwe afspraak inplan?" Hiermee breng je een uitwaaierend gesprek terug bij de kern, zonder de klant af te kappen. Pas op met de manipulatieve variant ("U bent toch ook van mening dat..."); die zet de ander klem. Een goede sturende vraag voelt voor de klant als opluchting.

Onderaan staan de gesloten vragen. Die leveren een kort antwoord op: ja, nee, een datum, een nummer. "Heeft u het ordernummer bij de hand?" of "Mag ik u maandag om tien uur terugbellen?" Ze zijn ideaal om feiten te checken en afspraken te bevestigen, en dus om af te sluiten. Stel je er te veel achter elkaar, dan voelt het als een formulier en klapt de klant dicht.

De vraag achter de vraag

De vraag die iemand stelt is bijna nooit de hele vraag. Wie vraagt "wat zijn jullie openingstijden?" wil misschien weten of hij vandaag nog langs kan komen. Wie vraagt of hij zijn abonnement kan opzeggen, is misschien alleen boos over één factuur. Beantwoord je alleen de letterlijke vraag, dan geef je een correct antwoord op de verkeerde vraag. De klant hangt op, en belt een week later opnieuw. Of hij belt niet meer.

Drie dingen brengen je onder de oppervlakte. Doorvragen op de aanleiding: "Mag ik vragen wat de aanleiding is?" Mensen vertellen bijna altijd het hele verhaal als je er even ruimte voor maakt. Luisteren naar wat er niet gezegd wordt: aarzeling, een zucht, een toon die niet bij de woorden past. Zegt iemand "het is niet zo'n probleem hoor" op geïrriteerde toon, dan is het wel een probleem, en dan mag je dat benoemen: "Ik hoor u twijfelen, speelt er nog iets anders?" En samenvatten met een open uitnodiging: eindig je samenvatting met "klopt dat zo, of mis ik nog iets?" Die laatste zin is goud waard, want klanten vullen daar bijna altijd nog iets in.

Example

Een klant belt: "Ik wil weten of jullie mijn bestelling kunnen versnellen." Het letterlijke antwoord is kort: versnellen kan, dat kost 12,50 euro extra, wilt u dat? Medewerker Femke vraagt eerst: "Mag ik vragen waarom u het sneller nodig heeft?" Antwoord: "Mijn dochter is zaterdag jarig en ik dacht dat het op tijd zou zijn." Nu blijkt de echte vraag: hoe zorg ik dat zij zaterdag iets heeft. Spoedbezorging haalt zaterdag niet, maar een digitale cadeaubon wel, en die kost niets extra. Zonder die ene vraag had de klant 12,50 euro betaald voor een pakket dat maandag arriveert.

Samenvatten als stuurmiddel

Samenvatten is niet het kunstje aan het eind. Het is het scharnier waarmee je een gesprek draait. Je controleert of je het goed begrepen hebt, de klant hoort dat er iemand luistert, je ordent een verhaal dat alle kanten op ging, en je hebt een natuurlijk moment om door te pakken naar een voorstel. Vier momenten vragen erom: na een lang verhaal, voordat je naar een oplossing schakelt, als het gesprek van de hak op de tak springt, en aan het eind.

Er zijn vier manieren. Letterlijk samenvatten gebruik je voor feiten: "U zei bestelnummer 4471, geleverd op 12 maart. Klopt dat?" Parafraseren is teruggeven in je eigen woorden: "Als ik u goed begrijp..." Ga daarbij niet invullen wat de klant niet zei, want dan leg je hem woorden in de mond. Gevoelsreflectie vat geen feiten samen maar de emotie: "Ik hoor dat het u flink dwarszit dat dit nu voor de derde keer gebeurt." Bij een boze of teleurgestelde beller werkt die vaak beter dan welke feitelijke samenvatting ook: mensen willen eerst gehoord worden, dan pas geholpen. En structurerend samenvatten ordent een rommelig verhaal: "Er spelen drie dingen: ten eerste het defecte product, ten tweede de retour die niet lukte, en ten derde dat u nog geld tegoed heeft."

Example

Mevrouw Aydin belt geïrriteerd. Ze praat twee minuten aan één stuk: een bestelling, een bevestiging, een telefoontje van gisteren, een collega die zou terugbellen. Medewerker Bas zegt: "Even kijken of ik het goed heb. U heeft vorige week dinsdag besteld, u kreeg een bevestiging dat het woensdag zou komen, en nu zijn we een week verder zonder pakket en zonder bericht. Daarbij heeft u gisteren al gebeld en kreeg u geen terugkoppeling. Klopt dat zo?" Met die ene samenvatting checkt hij drie feiten, erkent hij de frustratie en opent hij de deur naar de oplossing. Mevrouw Aydin antwoordt: "Ja. En dat laatste stoort me eerlijk gezegd het meest." Nu weet Bas waar het gesprek echt over gaat.

Exercise

Pak drie klantvragen uit je eigen werk die je vaak krijgt. Schrijf per vraag op:

  • De letterlijke vraag van de klant.
  • Drie mogelijke vragen die eronder kunnen zitten.
  • De ééne doorvraag waarmee je erachter komt welke van die drie het is.

Kies daarna in je volgende gesprek één techniek om bewust in te zetten: drie keer samenvatten, of twee keer doorvragen op iets wat niet helemaal duidelijk was. Schrijf achteraf op wat je aan de reactie van de ander merkte.

Summary

  • Horen is waarnemen, passief luisteren is volgen zonder het te laten merken, actief luisteren is volgen én hoorbaar reageren.
  • Aan de telefoon kun je niet knikken: korte, afwisselende bevestigingen zijn je enige manier om te laten horen dat je er bent.
  • Vijf blokkades: voorbarig invullen, selectief luisteren, oordelen, afgeleid zijn en te snel willen oplossen.
  • De vraagtrechter loopt van open vragen (informatie en ruimte) via sturende vragen en samenvattingen (richting) naar gesloten vragen (bevestigen en afsluiten).
  • Vraag door op de aanleiding, luister naar wat er niet gezegd wordt, en eindig een samenvatting met "klopt dat, of mis ik nog iets?".
  • Samenvatten kan letterlijk (feiten), parafraserend (inhoud), reflecterend (emotie) of structurerend (een rommelig verhaal).
  • Bij een boze beller werkt een gevoelsreflectie beter dan een opsomming van feiten.
Knowledge check

In welke volgorde zet de vraagtrechter de soorten vragen?

Een klant zegt op geïrriteerde toon: "Het is niet zo'n probleem hoor." Wat doe je?

Welke samenvatting past het beste bij een klant die boos belt over de derde storing in een maand?

Share this chapter: