3. Vragen stellen

Wie de juiste vraag stelt, hoeft minder te gokken. In klantcontact bepaalt je vraagstelling hoeveel je te weten komt, hoe snel je bij de kern zit en of de klant merkt dat er iemand meedenkt. Een vraag is dus geen tussenstap op weg naar je antwoord: je vraag doet zelf werk in het gesprek.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je wat een goed gestelde vraag je oplevert aan informatie, richting, vertrouwen en tijd.
  • Formuleer je open vragen en weet je waar in het gesprek je ze inzet.
  • Begrijp je waarom de waarom-vraag riskant is en welk alternatief hetzelfde ophaalt.
  • Herken je de vier soorten gesloten vragen en weet je welke je laat staan.
  • Bouw je je vragen op als een trechter, van verkennen naar vastleggen.

Wat een goede vraag oplevert

Je vraag levert vier dingen tegelijk op. Informatie: je hoort wat de klant nodig heeft in plaats van wat je vermoedt. Richting: wie vraagt, bepaalt waar het gesprek over gaat; stel je geen vragen, dan volg je het verhaal van de klant en duurt het gesprek langer dan nodig. Trust: een klant die merkt dat je zijn situatie wilt begrijpen, wordt rustiger, want je vraag is het bewijs dat je nog niet klaar bent met luisteren. Tijdwinst: twee goede vragen aan het begin voorkomen een tweede telefoontje aan het eind.

Vragen helpen je bovendien om het referentiekader van de klant op te zoeken, het begrip uit hoofdstuk 2. Wat daar precies in zit weet je niet, dus vraag je ernaar.

Open vragen

Een open vraag is een vraag waar de klant niet met ja of nee op kan antwoorden. Hij begint met een vraagwoord: wat, wie, waar, wanneer, hoe, welke, in welke mate. De klant kiest zelf hoeveel hij vertelt, en juist die vrijheid levert je informatie op die je niet had bedacht.

Vergelijk twee openingen bij dezelfde storing. "Heeft u de handleiding al geprobeerd?" levert je één woord op. "Wat heeft u tot nu toe geprobeerd?" levert je het hele voortraject op, inclusief het detail waar je niet naar had gevraagd. Open vragen zet je in aan het begin van een gesprek, bij een klacht, bij een vage vraag, en op elk moment dat je merkt dat je aan het invullen bent.

Met de waarom-vraag ben je voorzichtig. "Waarom heeft u dat zo ingevuld?" klinkt in de meeste oren als een verwijt, ook als je het neutraal bedoelt. Je krijgt dan een verdediging in plaats van informatie. Twee alternatieven halen hetzelfde op zonder de lading: "Wat maakte dat u voor die optie koos?" en "Hoe bent u daarbij uitgekomen?"

Tip

Stel één vraag per keer en houd daarna je mond. Twee vragen in één zin laten de klant kiezen, en hij kiest bijna altijd de makkelijkste van de twee.

Gesloten vragen in vier vormen

Een gesloten vraag is een vraag waarop de klant met ja, nee of één gegeven kan antwoorden. Dat maakt hem niet minder waard dan een open vraag, alleen anders bruikbaar: je gebruikt hem om vast te leggen, te laten kiezen en te controleren, niet om te verkennen.

De ja/nee-vraag legt één feit vast. "Staat het adres op de factuur nog steeds goed?" Het antwoord is kort, en daar is de vraag ook voor bedoeld. De keuzevraag biedt twee of drie mogelijkheden aan. "Wilt u de vervanging morgen of vrijdag?" De klant hoeft niets te bedenken, alleen te kiezen; zo breng je een gesprek in beweging zonder het weer open te gooien. De suggestieve vraag heeft het antwoord dat jij wilt horen al in zich verstopt: "U vindt dat toch ook de beste oplossing?" of "Dat is niet echt een probleem, hè?" De klant zegt vaak ja, maar dat ja is niets waard. Je hebt hem erin gepraat en dat merkt hij later, meestal als de rekening komt. Deze vorm laat je staan. De controlevraag checkt of jouw beeld klopt met dat van de klant: "Dus als ik het goed heb: de storing zit alleen op de bovenverdieping en niet in de winkel zelf?" De klant kan bevestigen of corrigeren. Vijf seconden werk, en het voorkomt dat je een half uur aan de verkeerde oplossing zit.

De vraagtrechter

In bijna elk klantgesprek maak je dezelfde beweging: eerst ruimte geven, dan smaller maken. Dat is de vraagtrechter, en hij heeft vier lagen.

De vraagtrechter in vier lagen: bovenaan breed de open vraag om te verkennen, daaronder vervolgvragen om uit te diepen, dan de keuzevraag om te concretiseren en onderaan smal de controlevraag om vast te leggen.
De vraagtrechter: van open verkennen naar gesloten vastleggen.

Bovenaan staat de open vraag: je geeft de klant ruimte om zijn verhaal in eigen woorden te doen. Daaronder komen de vervolgvragen: je diept uit wat hij precies merkt en wat het hem kost. Dan de keuzevraag: zodra het beeld staat, leg je de haalbare opties naast elkaar. En onderaan de controlevraag: je sluit af zodat jullie allebei hetzelfde beeld van de afspraak hebben. Draai je de trechter om en begin je met detailvragen, dan mis je de aanleiding en moet je halverwege alsnog terug naar het begin.

Example

Een klant belt over een pakket dat niet is aangekomen. Open vraag: "Wat heeft u tot nu toe gezien in track-and-trace?" Vervolgvraag: "Hoe laat stond die laatste melding erop?" Keuzevraag: "Wilt u dat ik een nazoekactie bij de vervoerder start, of stuur ik meteen een vervangend pakket?" Controlevraag: "Dus ik zet een vervangend pakket in gang naar het adres in Zwolle, met levering morgen?" Vier vragen, vier verschillende vormen, en aan het eind is er geen ruimte meer voor misverstanden.

Naast de beweging van breed naar smal loopt er een tweede lijn: van makkelijk naar persoonlijk. Bewaar de gevoelige vragen voor het midden van het gesprek. Vragen over budget, over wat er intern is misgegaan of over eerdere klachten landen slecht in de eerste dertig seconden. Zodra de klant merkt dat je meedenkt, geeft hij die informatie meestal zonder aarzelen.

Tip

Kondig een gevoelige vraag aan voordat je hem stelt: "Om te kijken wat haalbaar is, wil ik iets vragen over het budget." De klant weet dan waarom je het vraagt en hoeft er niets achter te zoeken.

Vier valkuilen

De meeste vraagfouten komen niet uit onwil maar uit haast. Je denkt dat je de vraag al kent en stuurt het gesprek naar je eigen antwoord toe.

De vraag zelf al invullen. "U wilt vast zo snel mogelijk geleverd hebben?" Misschien wil de klant juist zekerheid boven snelheid, maar je hoort het niet meer, want je hebt het antwoord voorgezegd. Doorschieten in gesloten vragen. Je vuurt tien ja/nee-vragen af en vult zo je eigen checklist in; de klant voelt zich ondervraagd en vertelt niets extra. Te vroeg naar de oplossing springen. Bij het eerste herkenbare woord begin je uit te leggen, waardoor de helft van het verhaal nooit boven water komt. Vergeten te controleren. Je hebt goed doorgevraagd, maar checkt niet of je conclusie klopt; één controlevraag had het verschil gemaakt.

Example

Bas krijgt een klant aan de lijn die vraagt of ze kan overstappen naar het grotere pakket. Bas hoort "groter pakket", noemt de prijs, en stuurt het aanbod. Twee weken later zegt ze op. Wat hij niet vroeg: waarom nu? Haar team was van vier naar elf mensen gegroeid, ze had vooral hulp nodig bij de inrichting, en de prijs was voor haar het minste probleem. Eéén open vraag aan het begin, "wat is er veranderd waardoor u nu meer nodig heeft?", had hem dat verteld. Nu won hij drie minuten en verloor hij een klant.

Exercise

Herschrijf eerst deze drie gesloten vragen tot open vragen, en noteer bij elke vraag wat je extra hoopt te horen: "Wilt u het standaardpakket?", "Is de storing vandaag begonnen?" en "Bent u tevreden met de oplossing?"

Neem daarna een gesprek van gisteren of vandaag en werk het na op papier.

  • Wat vroeg de klant als eerste?
  • Welke open vraag had je kunnen stellen?
  • Met welke twee vervolgvragen had je het verhaal uitgediept?
  • Welke twee haalbare opties had je in een keuzevraag kunnen voorleggen?
  • Hoe had je de afspraak met een controlevraag vastgelegd?

Streep tot slot alle suggestieve vragen door die je in je eigen versie tegenkomt en herschrijf ze neutraal. Welke van de vier valkuilen zie je bij jezelf het vaakst terug?

Summary

  • Een vraag levert je vier dingen op: informatie, richting, vertrouwen en tijdwinst.
  • Open vragen beginnen met een vraagwoord en geven de klant ruimte. Je zet ze in aan het begin, bij klachten en zodra je merkt dat je aan het invullen bent.
  • De waarom-vraag klinkt als een verwijt. "Wat maakte dat u daarvoor koos?" haalt hetzelfde op zonder verdediging.
  • Gesloten vragen komen in vier vormen: ja/nee, keuze, suggestief en controle. De suggestieve laat je staan, de andere drie zijn nuttig.
  • De vraagtrechter loopt van verkennen naar uitdiepen naar concretiseren naar vastleggen.
  • Gevoelige vragen horen in het midden van het gesprek, niet in de eerste dertig seconden, en je kondigt ze aan.
Knowledge check

Welke vraagvorm laat je volgens dit hoofdstuk staan, en waarom?

Een klant klinkt geïrriteerd over een formulier dat hij verkeerd heeft ingevuld. Welke vraag stel je?

In welke volgorde loopt de vraagtrechter?

Share this chapter: