3. Luisteren en vastleggen aan tafel

In een uur vergaderen worden al gauw negenduizend woorden gesproken. In je verslag komen er misschien driehonderd terecht. Die selectie maak je live, terwijl het gesprek gewoon doorloopt. Dit hoofdstuk gaat over hoe je die keuze maakt, hoe je merkt dat er een gat in je aantekening valt, en hoe je blad eruitziet zodat je niets kwijtraakt.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je wat selectief luisteren is en welk filter je daarbij gebruikt.
  • Onderscheid je tijdens een bespreking hoofdzaken van bijzaken.
  • Herken je de signaalwoorden die een standpunt, een besluit of een afspraak aankondigen.
  • Gebruik je de zes vragen van WWWWWH om per agendapunt te controleren of je aantekening compleet is.
  • Noteer je een afspraak zo dat je hem later zonder navragen in je actielijst kunt overnemen.

Selectief luisteren is scherper luisteren

Selectief luisteren betekent dat je je aandacht bewust richt op de opbrengst van het gesprek en de rest laat passeren. Je hoort alles, maar je noteert alleen wat het verslag verder helpt. Dat is iets anders dan half luisteren: je bent juist scherper dan de meeste deelnemers, omdat je voortdurend dezelfde vraag meeloopt. Levert deze zin iets op waar iemand later op terug moet kunnen vallen?

Hoofdzaken zijn de uitkomsten en de informatie die nodig is om die uitkomsten te begrijpen. Zes soorten zin zijn altijd een hoofdzaak. Besluiten, inclusief de status ervan: definitief, onder voorbehoud of onder voorwaarde. Afspraken en acties: zodra je een naam en een tijdstip in één zin hoort gaat je pen omhoog. Standpunten met gevolgen, zoals een bezwaar dat het besluit heeft bijgesteld. Nieuwe feiten: cijfers, data, namen, bedragen en wijzigingen die nog niet in de stukken stonden. Verschuivingen: een punt dat doorgaat naar het volgende overleg, een agendapunt dat vervalt, een deadline die opschuift. En openstaande vragen: wat de vergadering niet kon beantwoorden en wie het uitzoekt.

Alles daarbuiten is in beginsel bijzaak. De herhaling van een argument dat al genoteerd staat, hardop denken, een anekdote ter illustratie, een zijpad over de parkeerplaats, en de vijf zinnen waarmee iemand zijn punt inleidt voordat hij het punt maakt. Ook een uitvoerige toelichting op een stuk dat als bijlage meegaat hoef je niet na te vertellen; een verwijzing naar de bijlage volstaat.

Signaalwoorden als schakelaar

Sprekers kondigen hun hoofdzaak bijna altijd aan. "Ik stel voor dat", "dus samenvattend", "op voorwaarde dat", "laten we afspreken dat", "ik wil aantekenen dat": een handvol formuleringen die je na een paar vergaderingen blindelings herkent. Let vooral op de voorzitter. Elke keer dat die samenvat, krijg je de hoofdzaak cadeau in de formulering waarin ze ook in het verslag mag komen.

Example

Wat er klinkt: "Ja, kijk, ik heb daar wel gemengde gevoelens bij, want vorig jaar hebben we ook zoiets geprobeerd met die andere leverancier, en toen liep dat volledig uit de hand qua planning, weet je nog, dat was in het najaar. Dus ik zeg niet nee, maar ik wil wel dat er eerst een fatsoenlijke planning ligt voordat we tekenen."

Wat je noteert: "JB akkoord, mits planning vooraf." De anekdote over vorig jaar verklaart het voorbehoud, maar staat er los van. Het voorbehoud zelf is de hoofdzaak, want het is de voorwaarde waaronder het besluit geldt.

Tip

Twijfel je of iets een hoofdzaak is? Zet er een klein vraagteken bij in de kantlijn en schrijf één steekwoord op. Bij het uitwerken kost het je tien seconden om die regel te schrappen. Iets terughalen wat je niet hebt opgeschreven kost een telefoontje.

De zes vragen van WWWWWH

WWWWWH staat voor Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom en Hoe. Het is een controlelijstje dat journalisten gebruiken om te toetsen of een bericht compleet is, en het werkt net zo goed aan de vergadertafel. Je gebruikt het niet om zes vragen achter elkaar op te schrijven, maar om aan het eind van een agendapunt in twee seconden te scannen of er een gat in je aantekening zit.

Schema met de zes vragen van WWWWWH, wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe, elk met een korte toelichting, en daaronder de vaste actienotatie met wie, wat, wanneer en een volgnummer.
De zes vragen waarmee je per agendapunt controleert of je aantekening compleet is.

Wie brengt het punt in, wie neemt het besluit en wie voert het uit? Bij een actiepunt is dit de belangrijkste vraag van de zes: zonder naam blijft er niets over om op terug te komen. Wat is er precies besloten, afgesproken of gemeld? Je zoekt de kern in één zin, dus niet "er is gesproken over de leverancier" maar "het contract met leverancier X wordt niet verlengd". Waar speelt het? Dat kan een locatie zijn, maar vaker is het een afdeling, een vestiging, een systeem of een document. Wanneer gaat het in, wanneer is het klaar, wanneer komt het terug op de agenda? Vage aanduidingen als "binnenkort" of "na de zomer" noteer je letterlijk als ze zo zijn uitgesproken, maar je markeert ze als iets om na te vragen. Waarom is voor deze route gekozen? Dit is de vraag die het verslag jaren later nog leesbaar maakt, en één zin is vaak genoeg: "vanwege de levertijd van zestien weken". En how wordt het uitgevoerd, en hoe is het besluit tot stand gekomen? Dat kan een stemming zijn, een besluit onder voorbehoud, of een werkwijze die de vergadering expliciet meegeeft.

De zes vragen zijn een controlelijst, geen invulformulier. Bij een mededeling over een verbouwing hoef je niet te weten waarom er voor die aannemer is gekozen; bij een besluit over een investering wil je dat juist precies weten. Het doel van het agendapunt bepaalt welke vragen je scherp zet. Bij een informerend punt vormen Wat en Wanneer de kern. Bij een meningvormend punt liggen Wie en Waarom vooraan, want je legt vast welke invalshoeken er zijn en op welke gronden. Bij een besluitvormend punt moeten Wat, Wie en Wanneer alle drie kloppen tot op het woord, en geeft Hoe je de status van het besluit.

Example

De voorzitter sluit een punt af met: "Oké, dan pakken jullie dat samen op en komen we er in het najaar op terug."

Je scan levert drie lege vakjes op. Wie zijn "jullie"? Wat pakken ze precies op, de analyse of ook de uitvoering? En wanneer is "het najaar", en gaat het dan om een terugkoppeling of om een besluit? Waarom hier twee mensen op zitten is in dit geval niet interessant.

Je vraagt: "Voor het verslag: wie zijn 'jullie', en leveren zij een notitie op of een voorstel? Zet ik het op de agenda van september of van november?" Drie regels antwoord, en je aantekening is compleet: "AV en MK leveren een notitie op, agenda 12 november."

Tip

Zet de zes letters klein in de kantlijn van je notitieblok, of onder aan je scherm. Invullen hoeft niet. Ze zijn er alleen om je oog te laten haken achter het vakje dat leeg blijft.

Je blad in zones

Een compleet lijstje vragen helpt je weinig als de antwoorden verspreid over drie pagina's staan. Verdeel je blad daarom in vaste zones, waarvan de functie nooit verandert: je inhoudelijke aantekeningen in het midden, de acties in een eigen kolom rechts, je twijfels als vraagteken in de kantlijn, en onderaan een strook voor het verloop van de vergadering. Daardoor hoef je tijdens het schrijven niet na te denken over waar iets heen moet.

Die onderste strook is je processtrook. Daar staat wie er later binnenkwam of eerder vertrok en bij welk agendapunt, welke stukken ontbraken, welke punten zijn geschoven en hoe een besluit viel: met instemming van iedereen, met een aantekening van een deelnemer die tegen was, of met een stemming en een uitslag. Een deel daarvan hoort gewoon in het verslag, zeker bij besluiten met een lange bewaartermijn. Een ander deel is alleen voor jou: een punt dat vijfentwintig minuten uitloopt terwijl er tien voor stonden, vertelt je dat er iets speelt en dat je scherper moet meeschrijven. Spanning en irritatie beschrijf je niet in het verslag, maar de wetenschap dat een punt gevoelig lag bepaalt wel hoe zorgvuldig je je formulering kiest.

Example

In je processtrook staat: "10:40 MK weg (t/m punt 6) / punt 5 duurde 28 min ipv 10 / bijlage 5b ontbrak / besluit punt 5 met aantekening RvD".

In het verslag wordt dat: "Mevrouw Kramer verlaat de vergadering na agendapunt 6. Punt 5 is besproken zonder bijlage 5b, die niet tijdig beschikbaar was. Het besluit is genomen met een aantekening van de heer Van Dijk, die aangeeft de financiële onderbouwing onvoldoende te vinden." Dat punt 5 achttien minuten uitliep staat er niet in; dat was het signaal voor jou.

Elke actie in dezelfde vaste vorm

De rechterzone van je blad vult zich met de regels waar je collega's na afloop het meest naar kijken. Schrijf die regels altijd in dezelfde volgorde op, want juist doordat de volgorde nooit verandert ziet je oog meteen welk stuk ontbreekt.

  • Wie: de initialen van één persoon. Valt de naam niet, dan zet je een streepje en een vraagteken: "? – concept nakijken". Dat teken vraag je na voordat het agendapunt sluit.
  • Wat: een werkwoord met een concreet object. "Offerte opvragen bij drie leveranciers" is bruikbaar, "website" is dat niet.
  • Wanneer: een datum in je eigen korte notatie, bijvoorbeeld 1/9. Valt er alleen "snel" of "voor de zomer", noteer dat dan tussen aanhalingstekens, zodat je bij het uitwerken ziet dat de vergadering zelf vaag is gebleven.
  • Volgnummer: het cijfer waarmee de actie de actie- en besluitenlijst in gaat, bijvoorbeeld 24-07. Nummer je tijdens de vergadering door, dan kun je er in hetzelfde overleg naar terugverwijzen.

De status vul je pas in bij het uitwerken; tijdens de vergadering is elke nieuwe actie per definitie open. Loop aan het eind van elk agendapunt je rechterzone langs. Ontbreekt er een naam of een datum, dan is dat het moment voor een korte vraag, terwijl de betrokkenen nog bij het onderwerp zijn. Na het punt kost dezelfde vraag drie keer zoveel tijd, want dan moet de hele tafel eerst terugschakelen.

Niet elke uitspraak met een werkwoord erin is een actie. "Daar moeten we een keer naar kijken" is een voornemen zonder eigenaar. Zet je dat in de actielijst, dan staat het over drie maanden nog steeds open en verliest je lijst zijn gezag. Zet je het nergens neer, dan verdwijnt het. De oplossing is een parkeerlijstje onderaan je blad, met de initialen van degene die het opperde. Aan het eind van de vergadering leg je dat lijstje voor: wat de vergadering alsnog bij een persoon belegt, verhuist naar je actiezone, en de rest komt als agendasuggestie in het verslag of verdwijnt.

Tip

Een actie ontstaat zelden op het moment dat de voorzitter dat aankondigt. Meestal glijdt ze langs in een tussenzin: "dan bel ik daar wel even over". Zo'n zin is je signaal om een regel te openen in de rechterzone, ook al is de datum nog niet genoemd. Een half ingevulde regel is zichtbaar, een niet-geopende regel niet.

Exercise

Hieronder staan drie uitspraken zoals ze in een vergadering vallen. Loop bij elke uitspraak de zes vragen van WWWWWH langs.

  • "We stoppen met het papieren formulier, dat scheelt iedereen een hoop werk."
  • "Marja heeft aangeboden om die inventarisatie op te pakken, dus dat komt goed."
  • "Het voorstel gaat door zoals besproken, met die ene aanpassing die Peter noemde."

Noteer per uitspraak welke van de zes vragen niet beantwoord zijn, welk ontbrekend gegeven de aantekening onbruikbaar maakt, en één korte vraag waarmee je dat gat dicht, precies zoals je hem hardop zou stellen. Vergelijk je antwoorden daarna met een collega. De kans is groot dat jullie een verschillend gat als belangrijkste aanwijzen, en dat verschil zegt iets over wat jullie lezerskring van het verslag verwacht.

Summary

  • Selectief luisteren is scherper luisteren: je hoort alles, je noteert alleen wat het verslag verder helpt.
  • Altijd hoofdzaak zijn: besluiten, afspraken en acties, standpunten met gevolgen, nieuwe feiten, verschuivingen en openstaande vragen.
  • Bijzaak is de aanloop naar het punt, de herhaling, de anekdote en de toelichting op een bijlage.
  • Signaalwoorden als "ik stel voor", "dus samenvattend" en "op voorwaarde dat" zeggen je dat er iets vastgelegd moet worden. De samenvatting van de voorzitter krijg je cadeau.
  • WWWWWH is Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom en Hoe. Aan het eind van elk agendapunt scan je of er een vakje leeg blijft.
  • Bij een informerend punt wegen Wat en Wanneer, bij een meningvormend punt Wie en Waarom, bij een besluitvormend punt Wat, Wie en Wanneer, met Hoe voor de status van het besluit.
  • Verdeel je blad in vaste zones: inhoud in het midden, acties rechts, twijfel in de kantlijn, proces onderaan.
  • Elke actieregel heeft dezelfde vorm: wie (één naam), wat (werkwoord plus object), wanneer (een datum) en een volgnummer dat meereist tot de actie af is.
  • Een voornemen zonder eigenaar hoort niet in de actielijst maar op je parkeerlijstje, dat je aan het eind voorlegt.
Knowledge check

Een deelnemer vertelt twee minuten lang over een project van vorig jaar en sluit af met: "dus ik ben akkoord, mits er eerst een planning ligt." Wat noteer je?

Waarvoor gebruik je de zes vragen van WWWWWH volgens dit hoofdstuk?

Iemand zegt: "daar moeten we een keer naar kijken." Niemand reageert en het gesprek gaat door. Waar hoort dat?

Ready for the next step?

Je hebt de gratis starter van Notuleren afgerond. Het volgende hoofdstuk in de volledige training is Soorten vergadergroepen: Wat een teamoverleg, een MT-overleg, een or-vergadering en een overleg met wisselende deskundigen van je vragen.

Volg de 1-daagse training →

Vanaf €625,- excl. btw · met een ervaren trainer erbij

Share this chapter: