3. Je programma opbouwen
Je hebt een probleemstelling en twee of drie doelen met minuten ernaast. Nu wordt het verleidelijk om te gaan zoeken naar leuke werkvormen. Doe dat niet. Een programma dat begint bij de werkvormen wordt een reeks activiteiten die toevallig achter elkaar staan. Een programma dat begint bij de oefening waarin je moet-doel echt wordt uitgevoerd, houdt zichzelf overeind als je onderweg tijd tekortkomt.
After this chapter:
- Doorloop je vijf ontwerpstappen in de volgorde die voorkomt dat je achteraf moet slopen.
- Toets je elk blok op hoofd, hart en handen, en zie je meteen welke kolom leeg blijft.
- Verdeel je een dagdeel in een kop, een romp en een staart, met de juiste verhouding.
- Maak je in de kop een afspraak met de groep die je in de staart weer afsluit.
- Vat je je hele training samen in één kapstokwoord.
Vijf stappen, in deze volgorde
Je legt eerst je doel en doelgroep vast: de probleemstelling en maximaal drie moet-doelen, plus wat je uit de intake weet over niveau, belangen en stemming. Dan kies je de kernoefening: in welk onderdeel voert de deelnemer het gedrag uit je moet-doel echt uit, en hoeveel oefenrondes heb je daarvoor nodig? Die oefening claimt zijn tijd als eerste; wat overblijft is je speelruimte. Daarna bouw je de blokken, per kernpunt veertig tot zestig minuten. Dan bepaal je de volgorde en de bruggen: van eenvoudig naar complex, van veilig naar spannend, met bij elke overgang één zin die zegt waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat. En pas als laatste maak je het draaiboek met tijden en materialen. Kom je daar boven je dagdeel uit, dan ga je terug naar stap 2 en schrap je in de kern, niet in de staart.
Hoofd, hart en handen
Bij elk blok leg je hetzelfde recept ernaast. Het hoofd is de inhoud: het model, de uitleg, het antwoord op de vraag waarom iets zo werkt. Het hart is de motivatie en de houding: waarom zou deze deelnemer er tijd in stoppen, en wat maakt dat hij zich veilig genoeg voelt om iets te proberen. De handen zijn het gedrag: wat doet hij zelf, met zijn stem, zijn pen of zijn lijf.
Het hoofd is het onderdeel dat je als vakinhoudelijke ontwerper het snelst vult, en daarom loopt het als eerste uit de hand. Een blok heeft één model nodig, geen vier. Vraag je bij elk stuk theorie af of de deelnemer de kernoefening zonder dit stuk ook zou halen. Zo ja, dan gaat het naar de hand-out. Het hart is het ingrediënt dat het vaakst ontbreekt in de draaiboeken van vakspecialisten, terwijl het bepaalt of de rest binnenkomt. Je vult het met een voorbeeld uit de wereld van de deelnemer, met de vragen die ze vooraf hebben ingestuurd, of met een korte ronde waarin iedereen zijn eigen situatie op tafel legt. De handen vragen de meeste tijd en krijgen die het minst. Iemand die iets echt gaat doen, moet het minstens twee keer doen: een keer om te merken hoe stroef het gaat, en een keer om de correctie te voelen. Je rekent daarom niet in oefeningen maar in oefenrondes.
Zet de drie woorden in de kantlijn van je concept-programma en noteer bij elk blok h, ha of han. Loop je die kantlijn van boven naar beneden door, dan zie je in tien seconden of je programma één lange kennissessie is geworden. Blijft een kolom leeg, haal dan een stuk uitleg weg en zet er een verwerkingsopdracht voor in de plaats. Je blok wordt niet langer, wel evenwichtiger.
Kop, romp en staart
Elk dagdeel valt uiteen in drie delen met elk een eigen taak. De verhouding is scheef, en dat hoort zo: kop en staart nemen samen ongeveer een derde van je tijd, de romp de rest.

De kop heeft één opdracht: de groep zover krijgen dat er geoefend kan worden. Dat is meer dan een welkomstwoord en een rondje namen. Je benoemt hardop waarom deze training er is en wat eraan voorafging, want anders vullen deelnemers dat zelf in, en meestal ongunstiger dan de werkelijkheid. Je maakt het programma zichtbaar op de flip of het scherm, zodat niemand meer hoeft te scannen wat er dreigt. Je koppelt de vragen terug die deelnemers vooraf hebben ingebracht. En je sluit het psychologisch contract.
Dat laatste is de ongeschreven afspraak tussen jou en de zaal. Deelnemers verwachten iets van jou (deskundigheid, tempo, veiligheid, bruikbaarheid) en jij verwacht iets van hen (inbreng, eigen casussen, meedoen in een oefening). Het probleem met onuitgesproken verwachtingen is dat ze pas zichtbaar worden op het moment dat ze geschonden zijn. Wie dacht dat hij kwam luisteren, klapt dicht als jij om kwart over tien een rollenspel aankondigt. Daarom maak je het expliciet: wat je vraagt, wat ze ervoor terugkrijgen, en waar de grens ligt.
Sanne traint installatiemonteurs die voortaan zelf slecht nieuws moeten brengen over een uitgelopen klus. Ze opent zo: "Straks ga je twee keer een gesprek oefenen met een klus van jezelf. Ik vraag je dus om iets in te brengen dat nog niet gelukt is. Wat je hier inbrengt blijft in deze ruimte; aan je werkvoorbereider koppel ik alleen terug welke thema's we hebben behandeld, niet wie wat heeft gezegd. En wil je vandaag echt niet oefenen, dan zeg je dat tegen mij en kijk je mee als observant."
In vier zinnen liggen de inbreng, de vertrouwelijkheid en de uitstap vast. Sanne zet ze op een flip die de hele dag blijft hangen. Als er om half twee gemopperd wordt over "dat rollenspel-gedoe", wijst ze naar het vel in plaats van naar zichzelf.
De romp: blokken rond je kernpunten
In de romp doe je het eigenlijke werk. De valkuil is dat het één lange brij wordt. Je voorkomt dat door per dagdeel maximaal drie kernpunten te behandelen, elk in een eigen blok van veertig tot zestig minuten, en die blokken aan elkaar te knopen.
Het eerste blok is doorgaans het eenvoudigste. Je bouwt op in moeilijkheid: eerst één vaardigheid in een schone situatie, dan dezelfde vaardigheid bij een lastiger gesprekspartner, tot slot een situatie waarin de deelnemer zelf moet kiezen welke aanpak past. Zo loopt de moeilijkheidsgraad mee met wat de groep inmiddels kan. Bij elke overgang zeg je hardop wat er net gebeurde, wat het opleverde en waarom het volgende blok daaruit volgt. Dat kost twintig seconden en het is het verschil tussen een programma en een lijstje.
De staart is geen restpost
De laatste twintig minuten bepalen wat een deelnemer meeneemt naar zijn werk, en het is het onderdeel dat als eerste sneuvelt zodra de romp uitloopt. De staart doet drie dingen, en geen van drie gebeurt vanzelf. Ordenen: de losse ervaringen en feedbackpunten terugbrengen tot de kern, het liefst door deelnemers die kern zelf te laten verwoorden. Verbinden met de praktijk: waar komt dit in hun werk terug, en wat gaat daar anders dan in de zaal? Vastleggen: een afspraak met een datum, opgeschreven, en zichtbaar voor iemand anders. Een voornemen dat alleen wordt uitgesproken, verdampt in de trein naar huis.
In de staart sluit je ook het contract uit de kop. Je pakt de leervragen erbij die aan het begin op de flip kwamen en loopt ze langs: welke zijn behandeld, welke deels, en wat gebeurt er met de rest. Dat laatste is geen zwaktebod. Iemand die hoort dat zijn vraag niet paste maar wel een concreet vervolg krijgt, gaat tevredener naar buiten dan iemand wiens vraag stilletjes is verdwenen.
Reken op een vijfde van je dagdeel voor de staart en zet die tijd in je draaiboek vast als een blok dat niet verschuift. Loopt de romp uit, dan schrap je een tussenoefening of kort je een nabespreking in. Zet er een hard tijdstip bij: "16.10 uur, afronding, hoe dan ook". Kijk je om tien voor vier op de klok en zit je nog midden in een oefening, dan weet je meteen wat je inlevert.
Eén kapstokwoord en één thema per dagdeel
Zestien losse onderdelen zijn nog geen programma. Voor jou hangt alles samen, maar de deelnemer ziet alleen wat er op dat moment gebeurt. Een kapstokwoord is de ene zin waar je hele training aan hangt, in de taal van de deelnemer, en die de hele dag terugkomt: op de flip, in de map, bij elke overgang. "De ander eerst" bij gespreksvoering. "Klein en concreet" bij doelen stellen. Deze gratis cursus heeft er ook een: eerst het gat, dan het programma.
Zo'n woord haal je niet uit een boek. Het komt uit je probleemstelling of uit de formuleringen die deelnemers zelf gebruiken. Schrijven drie mensen onafhankelijk van elkaar dat ze "te snel in de oplossing schieten", dan ligt je kapstok daar. Een bruikbaar kapstokwoord bevat geen vakjargon, past op een flip en zegt iets over wat de deelnemer doet. Boven elk dagdeel zet je verder één thema met maximaal vijf deelonderwerpen. Komt er een zesde bij, dan hoort dat ergens anders of het verdwijnt.
Werk je met meerdere dagdelen, leg dan je onderdelen eerst als plakbriefjes op tafel voordat je iets uittypt. Eén onderdeel per briefje, met daarop wat deelnemers doen en niet wat het thema is. Een kleur per functie: geel voor hoofd, roze voor hart, groen voor handen. Zo zie je de verhouding liggen zonder te tellen. De kernoefening gaat als eerste neer, en alles wat er niet naartoe werkt of niet uit voortvloeit mag weg. Wat je leuk vindt maar nergens past, gaat op een parkeerstapel ernaast. Bij het verdelen blijkt bijna altijd hetzelfde: de groene briefjes stapelen zich op in het laatste dagdeel. Dat is precies het deel dat op de dag zelf als eerste sneuvelt.
Nadia heeft één dagdeel van 180 minuten en drie doelen. Haar kernoefening is een gesprek in drietallen met een eigen situatie, twee rondes per persoon, met een observant die op de waarneming en het verzoek let. Die oefening claimt 50 minuten en gaat als eerste in het schema.
Haar verdeling wordt: kop 35 minuten (aanleiding, programma, leervragen, contract, en een ronde waarin iedereen een situatie opschrijft die hij heeft ingeslikt), romp 110 minuten (blok 1 van 25 minuten over de gedachte die tegenhoudt, blok 2 van 50 minuten met de kernoefening, blok 3 van 35 minuten met een lastiger gesprekspartner), staart 35 minuten (kern verwoorden, transfervragen, afspraak met datum). Dan legt ze het recept ernaast: hoofd 30 minuten, hart 45, handen 85, plus 20 voor pauze en overgangen. De handen-kolom is de grootste. Bij haar eerste opzet was dat omgekeerd, met 70 minuten theorie en één oefenronde.
Werk één dagdeel van je eigen training uit, op één A4.
- Je probleemstelling in twee zinnen, en daaronder je moet-doelen met het niveau erbij.
- Je kernoefening: wat doet de deelnemer, hoeveel oefenrondes, hoeveel minuten?
- De blokken van je romp, met een titel en de geplande minuten per blok.
- Je staart: welke drie dingen daar gebeuren, en het harde tijdstip waarop hij begint.
- Je kapstokwoord, in maximaal vijf woorden, en de bron ervan: je probleemstelling of de taal van je deelnemers.
- Per blok: hoeveel minuten hoofd, hoeveel hart, hoeveel handen?
Tel de minuten op. Zit je erboven, streep dan door tot het past en schrijf erbij wat je hebt geschrapt en waarom dat kon. Welke kolom is bij jou het dunst?
Summary
- De volgorde is: doel en doelgroep, kernoefening, blokken, volgorde en bruggen, en pas daarna het draaiboek.
- De kernoefening claimt zijn tijd als eerste. Wat overblijft is je speelruimte.
- Elk blok krijgt hoofd (de inhoud), hart (de reden om mee te doen) en handen (het gedrag). Blijft een kolom leeg, dan verplaats je iets in plaats van iets toe te voegen.
- Een dagdeel bestaat uit een kop, een romp en een staart. Kop en staart samen zijn ongeveer een derde van je tijd.
- In de kop regel je aanleiding, programma, leervragen en het psychologisch contract. In de staart orden je, verbind je met de praktijk en leg je een afspraak met een datum vast.
- De staart krijgt een vijfde van je tijd en een hard tijdstip. Loopt de romp uit, dan schrap je in de romp.
- Eén kapstokwoord voor de hele training, één thema per dagdeel, maximaal vijf deelonderwerpen daaronder.
Je programma staat. Blijft de vraag die je in de intake al had moeten afspreken: hoe weet je straks of het gewerkt heeft? Dat is hoofdstuk 4.
Je romp loopt uit en je hebt nog twintig minuten voor een staart die je op vijfendertig had gepland. Wat doe je volgens dit hoofdstuk?
Je legt het recept naast een blok van veertig minuten en telt: hoofd 30 minuten, hart 10, handen 0. Wat is de aangewezen ingreep?
Wat is de functie van het psychologisch contract in de kop van je training?