1. Aandacht en concentratie

Zonder aandacht komt informatie niet binnen, en wat niet binnenkomt kun je later niet terughalen. Aandacht is daarmee de eerste schakel in alles wat met onthouden en denken te maken heeft. Dit hoofdstuk gaat over die schakel: hoe hij werkt, waar hij op een gewone werkplek weglekt, en hoe je hem een paar keer per dag bewust op één ding zet.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je waarom veel "vergeten" in werkelijkheid nooit-opgeslagen is.
  • Ken je het verschil tussen registreren en waarnemen.
  • Kun je uitleggen waarom het onderdrukken van afleiding je capaciteit kost.
  • Herken je de vijf bronnen van afleiding op je eigen werkplek.
  • Kun je een aandachtsblok opbouwen dat je ook echt afmaakt.

Waarnemen is iets anders dan registreren

Iemand stelt zich voor, en dertig seconden later ben je de naam kwijt. De meeste mensen schrijven dat toe aan hun geheugen. Toch zat het probleem daar niet. Op het moment dat de naam viel was je bezig met je eigen openingszin, met de vraag of je de juiste hand gaf, met de mail die nog open stond op je telefoon. Je hebt de naam gehoord, maar je hebt hem niet waargenomen. Er is nooit iets opgeslagen, dus er valt ook niets terug te halen.

Registreren doen je zintuigen vanzelf. Waarnemen betekent dat je aandacht er even op is gaan staan, lang genoeg om er iets mee te doen. Dat "iets" hoeft niet groot te zijn. De naam één keer teruggeven in je eerste zin is al genoeg om een spoor te starten.

Tip

Wil je weten of iets is binnengekomen, controleer dan niet of je het gehoord hebt, maar of je het kunt navertellen. Sluit een overleg af met één zin voor jezelf: wat is hier zojuist afgesproken, en wat is mijn eerste handeling? Krijg je die zin niet rond, dan heb je meegekeken zonder waar te nemen.

Example

Jasper zit in een projectoverleg van anderhalf uur en scrolt tussendoor door zijn agenda. Achteraf weet hij dat er over de planning is gesproken, maar niet wat er is besloten. Zijn collega Nadia legde haar telefoon omgekeerd neer en schreef bij elk besluit twee woorden op. Zij kan het overleg de volgende dag nog navertellen. Ze zaten even lang in dezelfde ruimte. Het verschil zit niet in hun geheugen, maar in wat hun aandacht heeft doorgelaten.

Je aandacht is een bundel, geen taart

Selectieve aandacht is je vermogen om één informatiestroom te volgen en de andere stromen actief te onderdrukken. Dat woord "actief" is de kern. Afleiding negeren gaat niet vanzelf; je hersenen zetten er capaciteit in om de concurrentie buiten de deur te houden.

Het bekende voorbeeld is een druk feest. Je volgt het gesprek met de persoon tegenover je, terwijl er om je heen tien gesprekken tegelijk lopen. Dat lukt, en toch hoor je het als iemand achter je jouw naam noemt. De stromen die je niet volgt worden dus niet uitgeschakeld, maar op laag volume meegescand. Wat persoonlijk relevant is, trekt de poort alsnog open.

Aandacht gedraagt zich als een smalle lichtbundel, en daar volgen drie praktische eigenschappen uit. De bundel is smal: je kunt hooguit één betekenisvolle stroom scherp volgen. Twee gesprekken tegelijk volgen lukt niet, je springt heen en weer en mist bij allebei stukken. Richten kost energie: hoe meer concurrentie er buiten de bundel staat, hoe meer capaciteit er weglekt aan onderdrukken. In een rumoerige ruimte werk je aan dezelfde taak met minder ruimte in je hoofd dan in een stille kamer. En buiten de bundel gebeurt niets duurzaams: wat je onderdrukt wordt niet opgeslagen. Je kunt achteraf niet terugvallen op "het was er wel".

Die derde eigenschap maakt multitasken als oplossing onhoudbaar. Je splitst je aandacht niet in twee halve bundels, je verplaatst er één, telkens opnieuw. Elke sprong kost je de stand van waar je was, en die moet je opnieuw opbouwen. In hoofdstuk 2 zie je wat dat precies met je werkgeheugen doet.

Vijf bronnen van afleiding

De vijf bronnen van afleiding naast elkaar: visueel, auditief, digitaal, sociaal en intern, elk met een voorbeeld en de ingreep die de stroom weghaalt.
Vijf kanalen waarlangs afleiding binnenkomt, met per kanaal de ingreep die werkt.

Op een gemiddelde werkplek dringen prikkels via vijf kanalen naar binnen, en ze vragen niet allemaal hetzelfde van je.

  • Visueel: beweging in je zichtveld trekt je aandacht open. Langslopende collega's, een flikkerend tweede scherm, een chatvenster dat open blijft staan in de hoek.
  • Auditief: gesprekken zijn de zwaarste categorie, omdat taal automatisch wordt ontcijferd. Ruis zonder woorden, zoals een ventilator, valt na een minuut weg uit je bewustzijn.
  • Digitaal: meldingen zijn zo gemaakt dat ze scoren op persoonlijke relevantie en verandering. Een badge met een cijfer erin blijft aan je trekken, ook als je hem niet aanklikt.
  • Sociaal: een collega die "heb je even?" vraagt onderbreekt je op een moment dat jij niet hebt gekozen. De vraag duurt drie minuten, het terugvinden van je draad duurt langer.
  • Intern: een groot deel van de onderbrekingen komt van jezelf. Je opent je mail zonder aanleiding, je bedenkt dat je nog iets moest regelen, je kijkt of dat ene antwoord al binnen is.

Die laatste is voor de meeste mensen de grootste, en tegelijk de minst zichtbare.

Example

Sanne, adviseur bij een gemeente, hield drie werkdagen bij wanneer ze van haar taak afweek. Ze kwam op 41 onderbrekingen: gemiddeld veertien per dag, dus ongeveer één per half uur. Van die 41 kwamen er 9 van een collega bij haar bureau, 7 van meldingen en 25 van haarzelf: even de mail openen, even kijken of een antwoord binnen was, even iets opzoeken dat niets met haar taak te maken had. Ze had haar chatprogramma al op stil gezet en dacht dat ze het daarmee wel geregeld had. Toen ze haar mailprogramma tijdens twee blokken per dag helemaal afsloot en een blaadje naast zich legde voor invallen, ging ze in de week erna naar 23 onderbrekingen.

Wegnemen werkt beter dan weerstaan

Elke stroom die je wegduwt, put dezelfde capaciteit uit als je taak zelf. Afleiding weerstaan kost je dus precies dat wat je voor je werk nodig hebt. Afleiding weghalen kost eenmalig een handeling.

Externe bronnen los je op met zo'n eenmalige ingreep: meldingen uit, mailprogramma dicht, koptelefoon op, je bureau een kwartslag draaien zodat je niet in de looproute kijkt. Interne bronnen los je anders op, namelijk door ze een plek te geven. Wat opkomt en niet nu hoort, gaat in vijf woorden op een blaadje naast je en verlaat daarmee je hoofd. Dat blaadje is geen takenlijst, het is een parkeerplek; je ruimt hem aan het eind van de dag op.

Tip

Spreek met je team één zichtbaar signaal af waarmee je laat zien dat je in een blok zit: een bordje, een kleur in de agenda, een status in de chat. Een signaal dat iedereen kent, scheelt je het ongemak van elke keer opnieuw uitleggen dat je bezig bent.

Werken in aandachtsblokken

Een aandachtsblok is een periode met een begin en een eind waarin je aan één vooraf gekozen taak werkt en alle ingangen dicht houdt. Het is geen goed voornemen maar een afspraak met een tijdstip. Twintig minuten die je afmaakt leveren meer op dan een uur dat je vijf keer onderbreekt.

  1. Kies de taak vóór het blok begint en schrijf in één zin op wat er aan het eind af moet zijn.
  2. Leg het blok in het deel van de dag waarin denkwerk bij jou het makkelijkst gaat.
  3. Sluit alles wat een melding kan geven en leg je parkeerblaadje klaar.
  4. Zet een timer op een duur die je zeker volhoudt. Twintig tot vijfentwintig minuten is een reëel begin.
  5. Rond af met één regel: waar sta je, en wat is de volgende handeling? Die regel is je startpunt voor het volgende blok.
  6. Rek de duur pas op als drie blokken achter elkaar zijn gelukt, en dan met vijf minuten per keer.

Tussen de blokken hoort herstel, en dat vraagt lage prikkeldruk. Door je nieuws of je chat scrollen voelt als pauze, maar vraagt precies dezelfde selectieve aandacht als je werk. Herstel komt van iets anders: even naar buiten kijken, een rondje lopen, koffie halen zonder je telefoon mee, twee minuten met je ogen dicht. Vijf tot tien minuten na een blok is meestal genoeg, en na drie blokken helpt een langere onderbreking.

Exercise

Ontwerp je blokkendag voor morgen, en schrijf hem op voordat de dag begint:

  • Tussen welke tijden gaat denkwerk bij jou bijna vanzelf?
  • Blok 1 en blok 2: taak, starttijd, duur, en het resultaat in één zin.
  • Welke drie ingangen zet je uit of dicht voordat je begint?
  • Wat doe je in de pauze na elk blok, zonder scherm?
  • Op welke twee momenten van de dag bundel je je mail en chat?

Kijk aan het eind van de dag terug: welke blokken haalde je, en wat brak het blok dat mislukte? Die laatste vraag levert meestal de ingreep op voor de week erna.

Summary

  • Wat je niet waarneemt, wordt niet opgeslagen. Veel "vergeten" is nooit binnengekomen.
  • Registreren doen je zintuigen vanzelf; waarnemen vraagt dat je aandacht er even op staat.
  • Aandacht is een smalle bundel die je verplaatst, niet iets wat je verdeelt. Onderdrukken kost capaciteit uit dezelfde ruimte als je taak.
  • Afleiding komt uit vijf hoeken: visueel, auditief, digitaal, sociaal en intern. Die laatste is meestal de grootste.
  • Wegnemen werkt beter dan weerstaan: externe bronnen sluit je af, interne bronnen parkeer je op papier.
  • Een aandachtsblok is één taak, een timer, alle ingangen dicht, en een afsluitregel. Bouw de duur stapje voor stapje op.
  • Herstel vraagt lage prikkeldruk. Een pauze met een scherm herstelt niets.
Knowledge check

Je bent binnen een halve minuut de naam kwijt van iemand die zich net voorstelde. Wat is volgens dit hoofdstuk de meest waarschijnlijke verklaring?

Waarom kost werken in een rumoerige ruimte je meer dan werken in een stille kamer, ook als je de herrie negeert?

Je merkt dat je zelf steeds je mail opent terwijl je aan een rapport werkt. Wat is de aanpak die bij deze bron van afleiding hoort?

Share this chapter: