3. Het gesprek voorbereiden

Wie zonder voorbereiding aan tafel schuift, praat over indrukken. Wie zich voorbereidt, praat over gedrag. Dat verschil bepaalt of je medewerker zich herkent in wat je zegt of zich overvallen voelt. En voorbereiding is niet alleen jouw werk: de manier waarop je uitnodigt, bepaalt of de ander met eigen punten binnenkomt of alleen maar kan reageren.

Learning objectives

After this chapter:

  • Zet je per bespreekpunt een concreet, feitelijk voorbeeld op papier in plaats van een algemene indruk.
  • Ken je de vijf aangrijpingspunten en bepaal je welke bij een verbeterpunt hoort.
  • Kun je een voorbereidingsformulier invullen dat je tijdens het gesprek als houvast gebruikt.
  • Richt je de uitnodiging zo in dat je medewerker zich inhoudelijk kan voorbereiden.
  • Regel je de praktische randvoorwaarden: ruimte, zitopstelling, tijd en verslaglegging.

Van indruk naar voorbeeld

De voorbereiding begint bij het maken van de afspraak, niet bij het openen van je agenda de avond ervoor. Jouw eigen voorbereiding draait om één vraag: op welke taakaspecten functioneert deze medewerker goed en op welke is verbetering nodig? Je loopt de resultaatafspraken langs en zet er per punt een waarneming bij, met je aantekeningen uit hoofdstuk 2 ernaast. Zo val je niet terug op wat je toevallig nog herinnert.

Het verschil zit in de formulering. "Je bent slordig met offertes" is een etiket waar iemand alleen maar tegenin kan gaan. "In offerte 2024-118 stonden drie rekenfouten en de klant belde daarover op 14 maart" is een feit waar je samen naar kunt kijken. Per punt zoek je dus minimaal één concreet voorbeeld: wat gebeurde er, wanneer, en wat was het gevolg.

Tip

Hetzelfde geldt voor de sterke punten. Complimenten sneuvelen het snelst in de voorbereiding, terwijl juist een concreet compliment blijft hangen. "Die presentatie voor de directie op 9 mei was scherp opgebouwd" landt, "je doet het goed hoor" is binnen een dag vergeten.

Het aangrijpingspunt voor beïnvloeding

Bij elk verbeterpunt hoort een vervolgvraag die veel leidinggevenden overslaan: waar zit het eigenlijk aan vast? Het aangrijpingspunt is de plek waar je invloed werkelijk effect heeft. Kies je het verkeerde, dan geef je een cursus aan iemand die het allang kan maar er de tijd niet voor krijgt. Of je spreekt iemand aan op motivatie terwijl hem nooit is uitgelegd hoe het systeem werkt.

Vijf vakken met de mogelijke oorzaken van een verbeterpunt: kennis, vaardigheid, motivatie, bijzondere omstandigheid en werksituatie, elk met de bijbehorende aanpak.
Vijf mogelijke oorzaken van een verbeterpunt, elk met een andere aanpak.

Er zijn vijf aangrijpingspunten die je in de voorbereiding langsloopt.

Kennis. De medewerker weet niet wat er van hem verwacht wordt of mist inhoudelijke informatie. Je lost dit op met uitleg, instructie of een kennisbron.

Vaardigheid. Hij weet wat er moet gebeuren, maar kan het nog niet goed genoeg. Hier helpen oefening, training, meelopen met een collega of coaching op de werkvloer.

Motivatie. Hij kan het en weet het, maar doet het niet. Dan ga je op zoek naar wat er in de weg zit: zin in het werk, waardering, perspectief of botsende prioriteiten.

Bijzondere omstandigheden. Er speelt iets buiten het werk of tijdelijk binnen het werk: ziekte in de familie, een verhuizing, een reorganisatie. De aanpak is dan tijdelijk aanpassen, niet corrigeren.

Belemmerende factoren in de werksituatie. Het ligt niet aan de persoon maar aan de omgeving: verouderde software, te veel onderbrekingen, onduidelijke procedures of een collega die zijn deel niet levert. Dit is jouw werk om weg te halen.

Bij elk punt bedenk je alvast een of twee mogelijke oplossingen, maar die houd je in je achterzak. Het zwaartepunt van het denkwerk hoort in het gesprek bij je medewerker te liggen. Jouw voorwerk zorgt er alleen voor dat je niet met lege handen staat als hij vastloopt.

Example

Sanne levert haar maandrapportages structureel twee dagen te laat aan. Haar leidinggevende noteert eerst het feit: drie van de vier rapportages in het tweede kwartaal kwamen na de deadline. Daarna loopt hij de vijf aangrijpingspunten langs. Ontbreekt het aan kennis? Nee, ze weet precies wat erin moet. Schieten haar vaardigheden tekort? Nee, de rapportages zijn inhoudelijk sterk. Ligt het aan motivatie? Ook niet, ze werkt met plezier. Speelt er iets bijzonders? Voor zover hij weet niet.

Dan blijft de werksituatie over, en daar zit het: ze krijgt de cijfers van de financiële afdeling pas twee dagen voor de deadline binnen. Zonder die analyse was het gesprek een correctie geworden. Nu wordt het een gesprek over de aanleverketen.

Het voorbereidingsformulier

Een voorbereidingsformulier is het A4'tje waarop je je hele voorbereiding kwijt kunt en dat je tijdens het gesprek voor je legt. Het is geen beoordelingsformulier en het gaat niet in het dossier; het is jouw werkblad. Je zet er per bespreekpunt vier dingen op: het taakaspect, de concrete waarneming met datum, het vermoedelijke aangrijpingspunt en de vraag waarmee je het onderwerp opent.

Die laatste kolom is de belangrijkste. Wie de openingsvraag vooraf formuleert, valt in het gesprek minder snel terug op een oordeel. Vergelijk "je bent te laat met je rapportages" met "de maandrapportage kwam in maart, april en mei tussen de vier en zes dagen na de deadline binnen, en daardoor kan ik het management niet op tijd informeren. Wat gebeurt er in die week?" De tweede opent een gesprek, de eerste sluit er een.

De medewerker laten voorbereiden

Een medewerker die pas bij binnenkomst hoort waar het over gaat, kan alleen maar reageren. Wie twee weken de tijd had, komt met eigen punten binnen. Dat verschil bepaalt voor een groot deel of de medewerker het meeste aan het woord is, en dat is nu juist de bedoeling.

Wat je in de uitnodiging zet, bepaalt met welk beeld je medewerker naar het gesprek toeleeft. Een lege afspraak met alleen "gesprek" in de titel roept spanning op; iemand gaat dan zelf invullen wat er aan de hand is, en dat is zelden iets positiefs. Nodig daarom minimaal twee weken van tevoren uit, benoem expliciet welk type gesprek het is, herhaal in een of twee zinnen waar het gesprek toe dient, vraag om eigen agendapunten en stuur voorbereidingsvragen mee.

Vier vragen zijn genoeg om iemand aan het denken te zetten. Hoe kijk je zelf terug op je functioneren in de afgelopen periode, en wat ging er goed? Welke onderdelen van je werk zou je willen verbeteren, en wat heb je daarvoor nodig? Hoe verloopt de samenwerking met je collega's en met mij? En: waar wil je over een jaar staan, en welke stap hoort daarbij?

Tip

Stuur dezelfde vier vragen elk jaar mee, in dezelfde volgorde. Na twee ronden weet je medewerker precies wat er komt en gaat zijn voorbereidingstijd naar de inhoud in plaats van naar het ontcijferen van jouw vragen.

Je medewerker kijkt door een ander referentiekader naar hetzelfde jaar. Wat jij als een moeizaam project zag, was voor hem misschien de eerste keer dat hij zelfstandig een klant bediende. Die verschillen komen alleen boven tafel als hij vooraf de kans kreeg zijn eigen versie te ordenen. Vraag zijn antwoorden daarom niet vooraf op: zodra jij het inleverstuk beoordeelt, verschuift het gesprek van uitwisseling naar toetsing. Hij neemt zijn aantekeningen mee, jij de jouwe, en aan tafel leg je ze naast elkaar.

Example

Voor hetzelfde gesprek zijn twee uitnodigingen denkbaar.

Versie 1: "Hoi Karim, ik heb donderdag 10:00 in je agenda gezet voor ons gesprek. Groet, Anja."

Versie 2: "Hoi Karim, donderdag 10 april om 10:00 staat ons functioneringsgesprek gepland, in de kleine vergaderruimte. We nemen een uur. Het gaat over hoe het werk gaat, wat je nodig hebt en wat je volgende stap kan zijn. Ik ben benieuwd naar jouw punten, dus breng gerust onderwerpen mee. Ter voorbereiding vier vragen: ... Groet, Anja."

Karim komt bij versie 1 binnen met de vraag wat er mis is. Bij versie 2 komt hij binnen met drie punten op papier.

Praktische randvoorwaarden

De inhoud kan kloppen en toch kan het gesprek mislukken doordat de omstandigheden tegenwerken. Een glazen kamer, een trillende telefoon of een kwartier speling in de agenda kosten je meer dan je denkt. Dit deel van de voorbereiding ligt volledig in jouw hand.

Een gesprek over functioneren voer je niet aan je eigen bureau met je monitor ernaast. Je kiest een aparte ruimte zonder inkijk waar niemand aanklopt, en hangt zo nodig een bordje op de deur. Je telefoon leg je uit het zicht en niet omgekeerd op tafel: ook een omgedraaid toestel houdt de aandacht vast.

De zitopstelling is een non-verbale boodschap. Zit je recht tegenover elkaar met een breed bureau ertussen, dan bevestig je de hiërarchische verhouding. In een beoordeling kan dat kloppen. Voor een functioneringsgesprek werkt een hoek van negentig graden beter: je kunt elkaar aankijken zonder dat het een confrontatie wordt, en wegkijken zonder dat het ontwijkend oogt.

Reken op een uur en plan daarna een kwartier leeg. Loopt het gesprek uit omdat er iets belangrijks op tafel komt, dan hoef je niet af te kappen. Loopt het niet uit, dan maak je je aantekeningen af zolang alles nog vers is. Plan niet vlak voor een deadline of een managementoverleg, want dan ben je er met je hoofd half bij en dat merkt de ander. Zet nooit drie gesprekken achter elkaar: na twee zak je terug in een routine en gaat het derde over de vorige twee. Vermijd de vrijdagmiddag en de dag voor een vakantie, want afspraken die je maakt moeten binnen een paar dagen in uitvoering kunnen. En spreek aan het begin af wie het verslag maakt, zodat er achteraf geen discussie ontstaat over wat er precies is afgesproken.

Exercise

Kies één medewerker met wie je binnenkort een gesprek voert. Vul voor drie bespreekpunten een voorbereidingsformulier in, met per punt:

  • Taakaspect: welk deel van het werk het betreft.
  • Waarneming: wat er precies gebeurde, met datum en gevolg.
  • Aangrijpingspunt: kennis, vaardigheid, motivatie, omstandigheid of werksituatie.
  • Openingsvraag: de vraag waarmee je dit punt op tafel legt.

Controleer daarna of er in je waarnemingen woorden staan als "vaak", "altijd" of "een beetje slordig". Die vervang je door een datum, een aantal of een gevolg. Loop tot slot de randvoorwaarden langs: welke ruimte, welke zitopstelling, hoeveel tijd met welke marge, hoeveel dagen vooraf nodig je uit en wie schrijft het verslag. Het punt dat je in de praktijk het vaakst overslaat, zet je als eerste in je agenda.

Summary

  • Je voorbereiding heeft drie lagen: inhoudelijk, richting je medewerker en praktisch.
  • Vervang elke indruk door een concreet voorbeeld: wat gebeurde er, wanneer, en wat was het gevolg. Dat geldt ook voor complimenten.
  • Bepaal per verbeterpunt het aangrijpingspunt: kennis, vaardigheid, motivatie, bijzondere omstandigheden of de werksituatie. Elk vraagt een andere aanpak.
  • Op je voorbereidingsformulier staan per punt het taakaspect, de waarneming met datum, het aangrijpingspunt en de openingsvraag.
  • Nodig twee weken van tevoren uit, benoem het type gesprek, vraag om eigen agendapunten en stuur elk jaar dezelfde vier voorbereidingsvragen mee.
  • Regel een ruimte zonder inkijk, een hoek van negentig graden, een uur met een kwartier marge en een afspraak over het verslag.
Knowledge check

Een medewerker levert al maanden goed werk, maar altijd net te laat. Je weet dat hij het kan en dat hij gemotiveerd is. Wat doe je in je voorbereiding?

Waarom vraag je de antwoorden op de voorbereidingsvragen niet vooraf op bij je medewerker?

Welke zin hoort thuis in de kolom "openingsvraag" van je voorbereidingsformulier?

Share this chapter: