2. Een afwijking lezen

Je hebt je cijfers gekozen, de rapportage komt binnen, en er kleurt iets rood. Wat nu? De verleiding is groot om meteen te reageren: een mail naar het team, een punt op de agenda, een opmerking in het overleg. Maar een cijfer dat afwijkt, is nog geen probleem. Het kan een signaal zijn, en het kan toeval zijn. Dit hoofdstuk gaat over het onderscheid, en over de vier vragen die je bij elk cijfer stelt voordat je iets doet.

Learning objectives

After this chapter:

  • Weet je waarom een getal zonder vergelijking niets zegt.
  • Kun je de gouden vraag in vier lagen stellen bij elk cijfer in je rapportage.
  • Herken je het verschil tussen meetruis en een echt signaal.
  • Zie je wat een gemiddelde voor je verbergt, en wanneer je de mediaan erbij pakt.
  • Kun je een piek van een trend onderscheiden voordat je ingrijpt.

Een getal zonder vergelijking zegt niets

"De omzet was 96.000 euro." Is dat goed nieuws? Je hebt geen idee, en dat is precies het punt. Pas met de norm ernaast, of met de vorige maand, of met dezelfde maand vorig jaar, wordt het een bericht. Daarom horen er op elk cijfer dat je serieus volgt vier dingen: de naam van de KPI, de actuele waarde, de norm of de vorige periode, en de richting waarin het beweegt. Dat laatste is de lijn van de afgelopen acht tot twaalf metingen, al is het maar als klein grafiekje. Zonder die lijn zie je een momentopname, en momentopnames zijn misleidend.

De gouden vraag in vier lagen

Bij elk cijfer stel je dezelfde vraag: wat zegt dit? Die vraag heeft vier lagen, en de meeste rapportages blijven steken bij de eerste twee.

De gouden vraag in vier lagen: wat staat er, vergeleken waarmee, waarom is het zo, en nu? Met per laag het soort antwoord dat erbij hoort.
Vier lagen onder elk cijfer. De meeste rapportages stoppen na laag twee.

Wat staat er? De feitelijke waarde. De omzet is 96.000 euro, het verzuim is 5 procent, de doorlooptijd is 8 dagen. Puur aflezen, zonder oordeel.

Vergeleken waarmee? Ten opzichte van de norm, de vorige periode, dezelfde periode vorig jaar of een vergelijkbaar team. Kies die vergelijking vooraf en houd hem vast, ook als de uitkomst je niet bevalt. Wie per maand een andere vergelijking pakt, levert verhalen in plaats van sturing.

Waarom is het zo? De oorzaak. Ligt de omzet boven de norm door één grote order of door structureel meer klanten? Dat is een heel ander verhaal, en het bepaalt of je iets moet doen.

En nu? De consequentie. Wat betekent dit voor je acties van komende week? Is het antwoord "niets", dan was het geen KPI maar achtergrondinformatie.

Example

Ruben ziet in zijn maandrapportage 96.000 euro omzet staan tegen een norm van 90.000 euro. Groen, dus door naar het volgende punt. Toch loopt hij de vier lagen af. Wat staat er: 96.000 euro. Vergeleken waarmee: 6.000 euro boven de norm, en boven de 84.000 euro van maart. Waarom is het zo: er zit één order van 18.000 euro in van een klant die eens per twee jaar bestelt. Zonder die order is het 78.000 euro, de laagste maand van het jaar. En nu: hij zet het gesprek over de offerteaantallen alsnog op de agenda, en meldt bij zijn manager dat de groene maand op één order rust. Zonder laag drie had hij dat kwartaal rustig laten lopen.

Ruis of signaal

Elke meting wiebelt. Ook als er in het werk niets verandert, geven twee opeenvolgende metingen bijna nooit precies hetzelfde getal. Dat heet meetruis, en het is geen probleem zolang je weet hoe groot die ruis is. Een cijfer dat van week tot week schommelt tussen 4,2 en 4,8 met een gemiddelde van 4,5 is stabiel. Een uitschieter naar 4,7 is dan geen nieuws. Een uitschieter naar 6,1 wel.

De vuistregel: valt een verandering binnen de gebruikelijke bandbreedte van de meting, dan is het nog geen signaal. Pas als een cijfer daar aantoonbaar buiten komt, of als drie of vier metingen op rij dezelfde kant op bewegen, wordt het interessant. Vraag daarom bij een nieuw cijfer altijd: hoeveel schommelt dit normaal? Weet niemand dat, dan is dat op zichzelf al informatie.

Daar hangt een tweede valkuil aan vast: schijnprecisie. Een getal lijkt nauwkeuriger dan het is, meestal door de decimalen. Staat er dat de gemiddelde afhandeltijd 4,37 minuten is tegen 4,29 vorige maand, dan wekt dat de indruk dat die 0,08 iets betekent. Als diezelfde meting handmatig wordt bijgehouden door drie mensen die verschillend denken over het moment dat een gesprek "afgehandeld" is, valt vijf seconden verschil ruim binnen hun eigen interpretatieruimte. Er is geen verandering, alleen ruis. Rond dus af tot wat je kunt verdedigen. Voor de meeste stuurgetallen zijn hele getallen of één decimaal genoeg.

Schijnprecisie is niet alleen cosmetisch, ze verandert het gesprek. Zeg je "de conversie is met 0,3 procentpunt gedaald", dan klinkt dat als een feit waar iemand op moet reageren, en zoek je vanzelf een schuldige. Zeg je "dit beweegt binnen de normale bandbreedte, we zien geen echte verandering", dan blijft het gesprek open.

Wat een gemiddelde verbergt

Het gemiddelde is het meest gebruikte cijfer in elke rapportage, en het handigste: één getal vat een hele reeks samen. Het is ook het gevaarlijkste, want datzelfde getal verbergt precies wat jij als leidinggevende zou moeten zien.

Example

Twee teams handelen klantvragen af. Team A doet er gemiddeld 4 dagen over, team B ook. Op de rapportage staan ze dus gelijk. Kijk je in de onderliggende cijfers, dan levert team A altijd tussen 3 en 5 dagen. Team B varieert tussen 1 en 12 dagen: sommige klanten hebben de volgende ochtend antwoord, andere wachten twee weken. Het gemiddelde is identiek, de klantervaring compleet verschillend. Bij team B is de snelheid niet het probleem, de onvoorspelbaarheid wel. Dat is een ander gesprek en een andere interventie.

Dat verschil heet spreiding: de mate waarin de losse metingen om het gemiddelde heen liggen. Vraag er standaard naar. Wat is de hoogste en de laagste meting achter dit gemiddelde?

Naast het gemiddelde staat de mediaan: de middelste waarde als je alle metingen op een rij zet van klein naar groot. Liggen die twee dicht bij elkaar, dan is de verdeling gelijkmatig. Lopen ze uiteen, dan domineert een uitschieter het beeld. Tien klanten leveren samen 100.000 euro op: negen kleine klanten van 5.000 euro en één grote van 55.000 euro. Het gemiddelde is 10.000 euro per klant. De mediaan is 5.000 euro. Wie op het gemiddelde stuurt denkt een gezonde klantenbasis te hebben. Wie de mediaan erbij pakt ziet dat de helft van de omzet aan één klant hangt.

Nog een valstrik is het gemiddelde van gemiddelden. Heb je drie teams met tevredenheidsscores van 7, 8 en 9, dan is het gemiddelde niet vanzelf 8. Dat klopt alleen als de teams even veel klanten hebben bediend. Heeft het team met de 7 tien keer zoveel klanten, dan ligt het echte gemiddelde vlak boven de 7. Voeg gemiddelden dus nooit samen zonder te wegen naar aantal, anders reken je een fictie uit.

Piek of trend

De laatste vergissing is de bekendste: één opvallende meting behandelen als het begin van een ontwikkeling. De klanttevredenheid staat drie kwartalen op 7,8 en deze maand is het 8,4. Champagne? Nog niet. Eén meting is een punt, geen lijn. Misschien zat er toevallig een gunstige groep klanten in de steekproef.

De omgekeerde vergissing is riskanter, want die kost je maanden. De doorlooptijd loopt zes maanden gestaag op: 4,2 dan 4,5 dan 4,8 dan 5,1 dan 5,4 dan 5,7 dagen. Elke maand is de stijging klein en elke maand ligt er een verklaring klaar: een zieke collega, een drukke week, een lastige klant. Wie elke afwijking als incident wegwuift, ziet niet dat er iets structureels schuift. Drie hulpmiddelen helpen je het verschil te zien.

  • Voortschrijdend gemiddelde: kijk naar het gemiddelde van de laatste drie of zes metingen in plaats van naar de losse maand. Een eenmalige piek verdunt vanzelf, een trend blijft staan.
  • Een band om de norm: teken de normale schommeling rond je norm als een band op de grafiek. Metingen binnen de band zijn ruis. Meerdere metingen erbuiten, aan dezelfde kant, zijn een trend.
  • Tellen in dezelfde richting: vier of vijf metingen op rij die dezelfde kant op gaan zijn statistisch geen toeval meer. Dát is het moment om te handelen, niet eerder.
Tip

Laat bij elk kerngetal op je rapportage een klein trendlijntje meelopen van de laatste acht tot twaalf metingen. Zo zie je in een oogopslag of het huidige cijfer binnen de normale bandbreedte valt of dat er iets echt aan het schuiven is. Zonder die lijn is elk getal een moment zonder geschiedenis.

Exercise

Pak de laatste rapportage van je afdeling erbij en kies er drie cijfers uit. Beantwoord per cijfer de vier lagen: wat staat er, vergeleken waarmee, waarom is het zo, en nu? Loop daarna deze drie langs:

  • Met hoeveel decimalen staat het er, en kun je die verdedigen?
  • Weet je hoe groot de normale schommeling is van deze meting?
  • Is je conclusie gebaseerd op één meting of op een reeks?

Kun je een van de vier lagen niet beantwoorden, noteer dan waarom niet: ontbreekt de norm, is de trend onzichtbaar, of staat de oorzaak nergens? Dat lijstje is je verbeterpunt voor de rapportage van volgende maand.

Summary

  • Een getal zonder norm, vorige periode of trendlijn zegt niets.
  • De gouden vraag heeft vier lagen: wat staat er, vergeleken waarmee, waarom is het zo, en nu? De laatste twee komen er alleen als jij ze eist.
  • Elke meting heeft ruis. Binnen de gebruikelijke bandbreedte is een afwijking nog geen signaal.
  • Decimalen die de meting niet kan dragen geven schijnzekerheid en leiden tot gesprekken over een verschil dat er niet is.
  • Vraag bij elk gemiddelde naar de spreiding en de mediaan, en voeg gemiddelden alleen samen als je weegt naar aantal.
  • Eén meting is een punt. Pas vier of vijf metingen in dezelfde richting zijn een trend.
Knowledge check

In de rapportage staat 96.000 euro omzet tegen een norm van 90.000 euro. Welke laag van de gouden vraag laat zien dat er toch een probleem kan zijn?

Twee teams handelen klantvragen in gemiddeld 4 dagen af. Team A levert altijd tussen 3 en 5 dagen, team B tussen 1 en 12 dagen. Wat volgt daaruit?

De klanttevredenheid staat drie kwartalen op 7,8 en is deze maand 8,4. Wat doe je volgens dit hoofdstuk?

Share this chapter: