3. Een groep met verschillende niveaus

Je hebt twaalf mensen uitgenodigd voor dezelfde uitleg, en na tien minuten weet je dat je er eigenlijk drie groepen voor je hebt. Twee mensen zijn klaar met de oefening en zitten al te klikken in schermen die je nog niet hebt laten zien. Zeven volgen het keurig. En achterin zit iemand met zijn handen in zijn schoot die nog niets heeft aangeraakt. Ze hebben dezelfde uitnodiging gekregen, maar niet dezelfde vraag. Dit hoofdstuk gaat over wat je met dat verschil doet, terwijl je maar één persoon bent.

Learning objectives

After this chapter:

  • Herken je koudwatervrees aan gedrag in het eerste kwartier, en weet je wat eronder zit.
  • Pas je vier ingrepen toe die de drempel achter het toetsenbord verlagen.
  • Bepaal je per onderwerp op welke van de vier treden naar zelfredzaamheid de cursist moet eindigen.
  • Werk je met een vaste route bij hulpvragen, zodat jij niet het enige antwoord bent.
  • Geef je de uitloper en de vastloper in dezelfde ruimte allebei iets te doen.

Waar het niveauverschil vandaan komt

Het verschil in je groep zit zelden in slim of dom. Het zit in drie dingen. Het eerste is voorkennis: wie al drie jaar met een vergelijkbaar pakket werkt, herkent de helft van je schermen. Het tweede is de ingang waarlangs iemand informatie binnenlaat. De een begrijpt een rechtenmodel pas als hij het als schema ziet, de ander pas als hij het aan iemand mag uitleggen, en een derde pas als hij het zelf een keer heeft geklikt. Het derde is vertrouwen: durft iemand een knop in te drukken zonder te weten wat er gebeurt?

Van die drie is de ingang het makkelijkst te bedienen, en het kost je bijna geen tijd. Je hoeft geen drie versies van je uitleg te maken. Je pakt één onderwerp en bedient er in korte tijd meerdere ingangen mee: je tekent het op de flap, je zegt in twee zinnen waarom het zo werkt, iedereen klikt het zelf een keer, en in duo's leggen ze elkaar uit waarom hun collega geen toegang kreeg. Vier ingangen, één onderwerp, een kwartier. De meeste technische trainers zijn zelf sterk in redeneren en woorden, en trainen daardoor onbewust zoals ze zelf leren: uitleggen hoe het systeem in elkaar zit, met veel taal en weinig beeld of handen.

Koudwatervrees achter het toetsenbord

Koudwatervrees is de aarzeling van iemand die wel wil, maar niet durft. Hij twijfelt niet aan het nut van het systeem, hij twijfelt aan zichzelf. Hij is bang dat hij iets kapotmaakt, dat hij de enige is die het niet snapt, of dat zijn onhandigheid zichtbaar wordt voor de rest. Dat is iets anders dan bezwaar hebben tegen de nieuwe software; dat laatste is weerstand, en die vraagt een ander gesprek.

De angst zit zelden in woorden. Je ziet hem in gedrag, meestal binnen het eerste kwartier. De cursist houdt zijn handen van het toetsenbord en kijkt naar zijn buurman. Hij vraagt bij elke stap of het "zo goed is" voordat hij op Enter drukt. Hij schrijft alles letterlijk op, inclusief muisklikken, en durft daarna niet van zijn eigen aantekening af te wijken. Hij lacht zijn onzekerheid weg met "ik ben niet zo van de computer". En het belangrijkste signaal: hij klikt een foutmelding weg zonder hem te lezen. Wie foutmeldingen niet leest, heeft geleerd dat een foutmelding een verwijt is in plaats van informatie.

Achter die vrees zit bijna altijd een eerdere ervaring. Een systeem dat vastliep na een verkeerde klik, een collega die zuchtte, een helpdesk die vroeg of hij het al opnieuw had opgestart. Daar komt zichtbaarheid bij: wie een taalfout maakt in een verslag doet dat in stilte, wie in een training de verkeerde knop kiest doet dat met een beamer aan en zeven mensen om zich heen.

Vier ingrepen verlagen die drempel, en ze kosten samen geen tien minuten. Je maakt om te beginnen hardop duidelijk dat de omgeving veilig is: dit is een testomgeving, er gebeurt niets echts, en vanavond zet je alles terug. Na de eerste foutmelding in de groep herhaal je dat. Vervolgens maak je zelf een fout: je neemt bewust een verkeerde route, laat zien wat het systeem dan doet, leest de melding voor en vertaalt hem in gewone taal. Daarmee verandert de foutmelding van een straf in een aanwijzing. Daarna laat je ze in duo's beginnen, twee mensen achter één scherm, één met de muis en één die meekijkt, en na een ronde wissel je. En je zorgt voor een winst binnen vijf minuten: je begint met een handeling die zeker lukt en die hij meteen uit zijn eigen werk herkent. Eén succes vroeg in de ochtend doet meer voor het zelfvertrouwen dan een compliment achteraf.

Example

In een training over een nieuw urenregistratiepakket zit Ton, monteur, achterin. Hij raakt de hele ochtend niets aan en schrijft alleen mee. De trainer doet in het tweede blok voor hoe je een verkeerd ingevoerde regel met één klik terugdraait, en herhaalt dat drie keer op drie momenten. Vlak voor de lunch begint Ton te typen. Zijn eerste vraag is: "Dus als ik dit fout doe, kan ik het gewoon weghalen?" Dat was de hele blokkade. Aan het eind van de middag heeft hij als enige van de groep ook de weekstaat ingediend.

Vier treden naar zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het vermogen van je cursist om na de training zelf verder te komen: een handeling opzoeken, een foutmelding lezen, de juiste vraag stellen aan de juiste persoon. Dat is een ander doel dan kennisoverdracht, en het vraagt dat je gaandeweg minder gaat doen in plaats van meer.

Vier oplopende treden: voordoen, samen doen, met een hulpmiddel en zelf uitzoeken, met daaronder een pijl die aangeeft dat jouw sturing terugloopt terwijl de zelfstandigheid van de cursist oploopt.
Vier treden van voordoen naar zelf uitzoeken. Je bepaalt ze per onderwerp, niet per training.

Op trede 1, voordoen, voer jij de handeling uit en benoem je hardop elke stap die je zet. Op trede 2, samen doen, klikt hij en sta jij ernaast, en zeg jij wat er op het scherm gebeurt. Op trede 3, met een hulpmiddel, werkt hij zelf, met zijn spiekkaart of de helpfunctie ernaast. Op trede 4, zelf uitzoeken, lost hij een eigen vraag op en zeg jij niets tenzij hij echt vastzit. Van links naar rechts loopt jouw sturing terug en zijn zelfstandigheid op.

De trap doorloop je per onderwerp, niet per training. Voor een handeling die iemand dagelijks doet, wil je op trede vier eindigen. Voor een uitzondering die twee keer per jaar voorkomt is trede drie genoeg: dan hoeft hij alleen te weten waar het staat. Die keuze vooraf maken scheelt je tijd, want je hoeft niet alles even diep te behandelen.

Bij hulpvragen hoort een vaste route, anders leert de groep binnen een uur dat jij het antwoord bent. Je spreekt aan het begin af: eerst zelf zoeken in de helpfunctie, de spiekkaart of je aantekening, dan de buurman, dan de trainer. Daar verwijs je de hele dag consequent naar terug. En zodra je richting trede vier gaat, verandert ook je antwoord: in plaats van de oplossing geef je de zoekweg. "Waar zou je dit verwachten in het menu?" of "Wat staat er precies in die melding?" Dat kost de eerste keer een minuut langer en de vijfde keer niets meer.

De uitloper en de vastloper

Twee typen bepalen hoe druk je het krijgt in een gemengde groep. De uitloper is klaar terwijl de rest nog begint, en gaat uit verveling zelf op ontdekking. Negeer je hem, dan zit hij binnen tien minuten in schermen waar je nog niet was, met een vraag die de hele groep uit het programma trekt. Je houdt daarom een verdiepingsdoel achter de hand, zoiets als "kijk eens of je dit ook voor een hele afdeling tegelijk kunt instellen". Of je vraagt of hij zijn buurman meeneemt. Dat laatste is geen zoethoudertje: uitleggen zit op de onderste laag van de leerpiramide, dus het is voor hem de leerzaamste opdracht van de middag.

De vastloper is het tegenovergestelde: hij blijft achter en meldt dat niet. Je ziet het aan zijn scherm, niet aan zijn hand, dus je moet rondlopen om het te merken. De grootste fout die je dan kunt maken is de muis overnemen. Dat lost het scherm op en niets anders; hij heeft de handeling nog steeds niet gedaan en weet nu ook dat hij hulp nodig had. Wat wel werkt is hem de stap opnieuw laten doen terwijl jij hardop benoemt wat er gebeurt. Dat duurt dertig seconden langer en levert hem wel iets op.

Tip

Je hoeft niemand te diagnosticeren. Kijk in het eerste kwartier naar gedrag: wie pakt meteen de muis, wie leunt achterover en kijkt, wie draait zich naar zijn buurman, wie schrijft alles op, wie houdt zijn handen stil. Binnen tien minuten heb je een bruikbaar beeld van je groep, en weet je bij wie je tijdens de eerste oefening als eerste langsloopt.

Example

Karin geeft een dag over een nieuw rapportagepakket aan negen collega's. Twee van hen bouwen al jaren draaitabellen, vier kennen alleen het oude scherm, drie zijn nieuw. Ze maakt vooraf per onderwerp een keuze: filteren en exporteren moeten naar trede vier, een eigen rapport bouwen naar trede drie, en de beheerinstellingen blijven op trede één, voordoen. Bij de eerste oefening zet ze de twee ervaren collega's in een duo met de drie nieuwe mensen. Om half elf is de eerste groep klaar; die krijgt de opdracht om uit te zoeken hoe je een rapport automatisch elke maandag laat versturen, en dat aan het eind van de dag aan de rest te laten zien. Karin houdt daarmee negen mensen bezig zonder dat ze zichzelf in tweeën hoeft te delen.

Exercise

Pak de groep van je eerstvolgende sessie erbij, met de namen als je ze hebt.

  • Kies drie onderwerpen uit je programma en bepaal per onderwerp op welke trede de cursist moet eindigen, en hoe je die trede bereikt.
  • Noteer twee vragen die je vandaag nog zelf zou beantwoorden, en formuleer voor elk een zoekvraag terug naar de cursist.
  • Schrijf de eerste handeling op waarmee je begint, en controleer of die zeker lukt en herkenbaar is uit hun eigen werk.
  • Bedenk één verdiepingsdoel dat je achter de hand houdt voor wie eerder klaar is.
  • Schrijf de zin op waarmee je aan het begin duidelijk maakt dat de omgeving veilig is, en het moment waarop je zelf een fout gaat maken.

Summary

  • Het verschil in je groep zit in voorkennis, in de ingang waarlangs iemand leert, en in vertrouwen om iets in te drukken.
  • Meerdere ingangen bedien je met één onderwerp: tekenen, uitleggen, zelf klikken, aan elkaar uitleggen.
  • Koudwatervrees zie je aan gedrag: handen stil, bevestiging vragen voor elke Enter, alles letterlijk opschrijven en foutmeldingen wegklikken zonder lezen.
  • Vier ingrepen verlagen de drempel: veilige omgeving benoemen, zelf een fout maken, in duo's beginnen, een winst binnen vijf minuten.
  • De vier treden lopen van voordoen via samen doen en met een hulpmiddel naar zelf uitzoeken; je kiest de eindtrede per onderwerp.
  • Spreek een route af bij hulpvragen (zelf, buurman, trainer) en geef op trede vier de zoekweg in plaats van het antwoord.
  • De uitloper geef je een verdiepingsdoel of zijn buurman; bij de vastloper neem je de muis niet over maar laat je de stap opnieuw doen.
Knowledge check

Welk gedrag is volgens dit hoofdstuk het duidelijkste signaal van koudwatervrees?

Een handeling komt twee keer per jaar voor. Op welke trede laat je de cursist dan eindigen?

Iemand zit vast op stap twee en komt er niet uit. Wat doe je volgens dit hoofdstuk?

Share this chapter: