2. Van brutoloon naar nettoloon

Een loonstrook lijkt op het eerste gezicht een wirwar van bedragen, codes en afkortingen. Toch zit er een logische opbouw achter, en die volgt een vaste volgorde. Zie je die volgorde eenmaal, dan kun je elke regel verklaren, en ook uitleggen aan de medewerker die ermee bij je bureau staat.

Leerdoelen

Na dit hoofdstuk:

  • Begrijp je hoe het brutoloon wordt opgebouwd uit vaste en variabele componenten.
  • Kun je de belangrijkste inhoudingen op het brutoloon herkennen en plaatsen.
  • Zie je het verschil tussen het fiscaal loon, het SV-loon en het uitbetaalde nettoloon.
  • Kun je een eenvoudige bruto-netto berekening van begin tot eind uitwerken.
  • Kun je de vaste posten op een loonstrook met een medewerker doorlopen.

Waar het brutoloon uit bestaat

Het brutoloon is het startpunt van iedere salarisberekening: het bedrag dat je met je medewerker afspreekt vóór alle inhoudingen. Maar dat ene bedrag uit het arbeidscontract is zelden het volledige verhaal. Op de loonstrook staan meestal meerdere posten die samen het bruto periodeloon vormen.

De vaste loonbestanddelen zijn de componenten die elke loonperiode terugkomen. Het basissalaris is het overeengekomen periodeloon op basis van de contracturen: voor een fulltimer het volledige maandsalaris, voor een parttimer een evenredig deel. Daar komt de vakantietoeslag bij, wettelijk minimaal acht procent van het brutoloon; die reserveer je meestal maandelijks en betaal je in mei of juni uit, al kiezen sommige werkgevers ervoor hem maandelijks mee te betalen. Een dertiende maand of eindejaarsuitkering is een extra periodeloon dat doorgaans in november of december wordt uitbetaald, als de cao of de arbeidsovereenkomst daarin voorziet. En tot slot zijn er de vaste toeslagen: een ploegentoeslag, een functietoeslag of een persoonlijke toeslag boven het cao-loon.

Daarnaast zijn er de variabele loonbestanddelen, die per periode verschillen en de strook van januari anders laten zijn dan die van februari. Overwerk zijn de uren boven de contracturen, vaak met een toeslagpercentage zoals 125 of 150 procent. De onregelmatigheidstoeslag geldt voor werk op avonden, nachten, weekenden of feestdagen; het percentage staat meestal in de cao. Bonussen en provisies zijn eenmalige of periodieke beloningen op basis van prestatie, omzet of resultaat. Het deel van de reiskostenvergoeding dat boven de onbelaste norm uitkomt, telt mee als brutoloon. En loon in natura komt er als fiscale waarde bij, bijvoorbeeld de bijtelling voor een auto van de zaak.

Fiscaal loon, SV-loon en Zvw-loon

Voor je kunt rekenen, moet je weten wáárover je rekent. Dat is niet altijd het hele brutoloon. Op de strook kom je drie loonbegrippen tegen die je uit elkaar moet houden. Het loon voor de loonheffing, ook wel het fiscaal loon, is het bedrag waarover je loonbelasting en premie volksverzekeringen berekent; daar zit de bijtelling voor de auto wel in, maar de pensioenpremie van de werknemer is er al af. Het loon voor de werknemersverzekeringen, het SV-loon, is de basis voor de premies WW en WIA en voor de Zvw-bijdrage. Dat loon is meestal vrijwel gelijk aan het fiscaal loon, met een paar uitzonderingen, bijvoorbeeld bij de WW-franchise of bij bijzondere beloningen. Het loon voor de Zvw tot slot is het bedrag waarover de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet wordt berekend; voor de meeste werknemers gelijk aan het SV-loon, tot het maximum bijdrageloon.

Tip

Veel salarispakketten tonen op de loonstrook een aparte regel "Grondslag LH" en "Grondslag SV". Lopen die twee uiteen, dan zit daar bijna altijd een pensioenpremie, een fiets-van-de-zaak-regeling of een fiscale bijtelling achter. Kun je dat verschil verklaren, dan kun je vrijwel elke loonstrook lezen.

Voorbeeld

Sanne werkt 40 uur per week en heeft een brutomaandsalaris van 3.200 euro. Ze rijdt in een auto van de zaak met een bijtelling van 250 euro per maand. In maart maakt ze 6 uur overwerk tegen 125 procent.

Haar brutoloon over maart bestaat dan uit het basissalaris van 3.200,00 euro, het overwerk van 138,45 euro (6 uur maal een uurloon van ongeveer 18,46 euro maal 125 procent) en de bijtelling van 250,00 euro. Haar loon voor de loonheffing komt daarmee op 3.588,45 euro.

Voor het SV-loon trek je de bijtelling er weer af, want over de bijtelling betaal je geen werknemersverzekeringen. Het loon voor de werknemersverzekeringen is dus 3.338,45 euro. Twee grondslagen, uit één loonstrook.

De inhoudingen

Het brutoloon is wat je medewerker op papier verdient, niet wat er op de rekening verschijnt. Daartussen zitten de inhoudingen. Een deel daarvan is wettelijk verplicht en draag je af aan de Belastingdienst, een ander deel volgt uit cao- of bedrijfsafspraken, zoals pensioen.

De grootste post is bijna altijd de loonheffing. Dat is een verzamelnaam voor twee inhoudingen die samen op één regel staan: de loonbelasting, een voorheffing op de inkomstenbelasting die later bij de aangifte wordt verrekend, en de premie volksverzekeringen voor AOW, Anw en Wlz. Die twee staan bij elkaar omdat ze dezelfde grondslag en hetzelfde tarief hebben. Het tarief loopt op via schijven, en de Belastingdienst publiceert ieder jaar nieuwe tabellen. De witte tabel gebruik je voor regulier loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de groene voor uitkeringen en loon uit vroegere dienstbetrekking.

De loonheffing zou hoog uitpakken als er geen heffingskortingen waren. Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting, en wie werkt krijgt daarnaast de arbeidskorting. Die kortingen verminderen het bedrag dat je inhoudt. Belangrijk: je past de loonheffingskorting bij maar één werkgever tegelijk toe. Werkt iemand bij twee werkgevers, dan kiest de werknemer zelf waar. Dat leg je vast in de opgaaf gegevens voor de loonheffingen.

Tip

Past je medewerker de loonheffingskorting bij jou toe terwijl hij dat ook bij een tweede werkgever doet, dan houdt hij netto te veel over en krijgt hij later een aanslag inkomstenbelasting. Hij is daar zelf verantwoordelijk voor, maar het is verstandig om bij indiensttreding even te vragen of er nog een ander dienstverband loopt.

De zeven stappen op een rij

Nu je weet welke inhoudingen er spelen, zet je ze in de juiste volgorde achter elkaar. Die volgorde schrijft de Belastingdienst voor. Wijk je ervan af, dan klopt het nettobedrag niet en loop je het risico dat je aangifte loonheffingen wordt afgekeurd.

Schema met de zeven rekenstappen van brutoloon naar nettoloon: brutoloon, bijtellingen erbij, pensioenpremie werknemer eraf, loon voor de loonheffing, loonheffing eraf, bijdrage Zvw eraf en het nettoloon, met daaronder de opmerking dat de werkgeverslasten erbuiten staan.
De zeven stappen van brutoloon naar nettoloon, in de volgorde die vastligt.

Stap 1, het brutoloon vaststellen. Begin met het overeengekomen brutosalaris over de loonperiode. Tel vakantiegeld, dertiende maand of een eenmalige uitkering erbij als die in deze periode worden uitbetaald.

Stap 2, de bijtellingen optellen. Heeft je werknemer een auto van de zaak die ook privé wordt gebruikt, dan tel je de fiscale bijtelling bij het loon. Hetzelfde geldt voor ander loon in natura, zoals een telefoon of fiets die niet onder een gerichte vrijstelling valt.

Stap 3, de pensioenpremie van de werknemer eraf. Het deel van de pensioenpremie dat je werknemer zelf betaalt, gaat eraf vóórdat je de loonheffing berekent, want die premie is aftrekbaar voor de loonbelasting.

Stap 4, het loon voor de loonheffing bepalen. Wat je nu overhoudt is de grondslag waarover je de loonheffing berekent: het fiscaal loon.

Stap 5, de loonheffing inhouden. Je zoekt het juiste bedrag op in de witte of de groene tabel. Wit voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, groen voor uitkeringen en pensioen. De loonheffingskorting pas je alleen toe als de werknemer daarvoor heeft gekozen.

Stap 6, de bijdrage Zvw inhouden als dat van toepassing is. In de meeste situaties betaal je als werkgever de werkgeversheffing Zvw zelf en houd je niets in. Bij sommige groepen, bijvoorbeeld directeuren-grootaandeelhouders of bepaalde uitkeringsgerechtigden, houd je de werknemersbijdrage Zvw wél in op het loon.

Stap 7, de overige inhoudingen verwerken. Denk aan een loonbeslag, een lening die je werknemer terugbetaalt of de eigen bijdrage voor de leaseauto. Wat overblijft, is het nettoloon dat je overmaakt.

Voorbeeld

Sanne werkt fulltime en verdient 3.500 euro bruto per maand. Ze heeft in dit voorbeeld geen auto van de zaak en past de loonheffingskorting bij jou toe. Haar pensioenpremie werknemersdeel is 175 euro.

Je loopt de stappen langs: brutoloon 3.500, bijtellingen 0, pensioenpremie werknemer eraf is min 175, dus het loon voor de loonheffing wordt 3.325. Daarover houd je de loonheffing in; in dit rekenvoorbeeld gaan we uit van een fictief tarief dat uitkomt op 650 euro. De bijdrage Zvw is hier 0, want de werkgever betaalt de heffing. Overige inhoudingen zijn er niet. Het nettoloon komt daarmee uit op 2.675 euro.

Let op dat die 650 euro een verzonnen bedrag is om de rekenvolgorde te laten zien. Het exacte bedrag aan loonheffing zoek je op in de actuele tabel van de Belastingdienst, en die verandert minimaal één keer per jaar, soms halverwege het jaar.

De werkgeverslasten staan erbuiten

Wat je werknemer netto ontvangt, is maar een deel van het verhaal. Boven op het brutoloon betaal jij als werkgever nog de premies werknemersverzekeringen (WW, WIA, ZW) en de werkgeversheffing Zvw. Die bedragen verschijnen niet op de loonstrook van je werknemer, maar wel op je loonkostenoverzichten en in je aangifte loonheffingen. De syllabus rekent voor een gemiddelde werknemer met ongeveer twintig tot dertig procent werkgeverslasten boven op het brutoloon. Bij Sanne uit het voorbeeld kost een brutoloon van 3.500 euro je dus al snel 4.300 tot 4.500 euro per maand.

Let op: cijfers verlopen

Alle percentages en bedragen in dit hoofdstuk komen uit de syllabus en dienen om de techniek te laten zien. De tabellen voor de loonheffing, de heffingskortingen, de premiepercentages, het maximum bijdrageloon en de bijtellingspercentages worden jaarlijks opnieuw vastgesteld, en soms halverwege het jaar bijgesteld. Reken nooit met de cijfers uit een lesvoorbeeld, maar zoek de actuele tabellen op bij de Belastingdienst en in het Handboek Loonheffingen. Werk voor je echte salarisrun met actuele loonsoftware: handmatig rekenen is prima om de logica te begrijpen, maar loopt mis zodra een tarief of een grens schuift.

De loonstrook uitleggen

Voor veel medewerkers is de loonstrook een ondoorzichtig document. Op het moment dat je iets uitlegt aan een nieuwe medewerker, na een loonsverhoging of bij vragen over vakantiegeld, helpt het als je zelf precies weet waar elk getal vandaan komt.

Wettelijk moet er een aantal gegevens op staan: de naam van werkgever en werknemer, het loontijdvak, het brutoloon en de samenstelling daarvan, alle inhoudingen gespecificeerd, het nettoloon en het bedrag dat wordt uitbetaald, het wettelijk minimumloon dat voor deze werknemer geldt, en bij urenloon het aantal gewerkte uren. Daarnaast staan er bijna altijd cumulatieve overzichten op: het totaal aan bruto, ingehouden loonheffing en vakantiegeldreservering vanaf het begin van het kalenderjaar.

Leg je een strook uit, werk dan in dezelfde volgorde als de berekening zelf. Eerst wat erin komt, dan wat eraf gaat, en als laatste wat overblijft. Begin bij het brutoloon en verklaar afwijkingen meteen: een loonsverhoging, een nabetaling, een correctie van vorige maand. Dan de bijzondere beloningen: vakantiegeld, dertiende maand, bonus. Die worden vaak belast tegen het bijzonder tarief, dat hoger lijkt dan het tarief op het gewone loon. Daarna de bijtellingen, en maak duidelijk dat een bijtelling alleen een rekenpost is voor de belasting; dat geld krijgt je medewerker niet uitbetaald. Vervolgens de inhoudingen: pensioenpremie, loonheffing en eventueel de werknemersbijdrage Zvw. Hier krijg je de meeste vragen, dus leg uit dat de loonheffing een voorheffing is op de inkomstenbelasting en dat de pensioenpremie aftrekbaar is. Dan de netto vergoedingen, zoals reiskosten of een thuiswerkvergoeding, die onbelast bij het nettoloon worden opgeteld. En tot slot het nettoloon en de uitbetaling, die soms afwijkt van de optelsom door een voorschot of een loonbeslag.

Voorbeeld

Marco komt na drie maanden bij je langs. Hij snapt niet waarom zijn vakantiegeld in mei zo weinig is geworden. Op zijn strook staat een brutobedrag vakantiegeld van 2.800 euro, maar netto krijgt hij 1.540 euro overgemaakt.

Je laat de regel "bijzondere beloningen" zien en wijst op het tarief van 49,5 procent dat daar staat. Je legt uit dat dit het bijzonder tarief is, gebaseerd op zijn jaarinkomen uit het vorige jaar, en dat het hoog uitvalt doordat Marco aan het begin van een nieuwe schaal zit. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting volgend voorjaar verrekent de Belastingdienst dit, en waarschijnlijk krijgt hij een deel terug.

Door dat kort en helder uit te leggen, voorkom je dat Marco zich tekortgedaan voelt, en bouw je vertrouwen op in de salarisadministratie.

Tip

Maak een korte standaarduitleg van één pagina waarin je de meest voorkomende posten op jullie loonstrook beschrijft, en stuur die mee bij de eerste strook van een nieuwe medewerker. Dat scheelt je vragen, en het laat zien dat je open bent over de loonadministratie.

Oefening

Pak een loonstrook van jezelf of van een collega (met toestemming) erbij en doorloop de zeven stappen.

  • Brutoloon deze periode, bijtellingen, pensioenpremie werknemer.
  • Loon voor de loonheffing, en de loonheffing volgens de strook.
  • Bijdrage Zvw werknemer als die van toepassing is, en de overige inhoudingen.
  • Je berekende nettoloon, naast het nettoloon dat op de strook staat.

Klopt jouw berekende nettoloon met wat er staat? Zo niet, welke post veroorzaakt het verschil? Noteer welke regels je nog niet meteen kon plaatsen en zoek die op bij de Belastingdienst.

Samenvatting

  • Het brutoloon bestaat uit vaste bestanddelen (basissalaris, vakantietoeslag, dertiende maand, vaste toeslagen) en variabele (overwerk, onregelmatigheidstoeslag, bonus, bovenmatige reiskosten, loon in natura).
  • Houd drie loonbegrippen uit elkaar: fiscaal loon, SV-loon en het loon voor de Zvw. Het verschil zit meestal in een pensioenpremie of een bijtelling.
  • De volgorde ligt vast: brutoloon, bijtellingen erbij, pensioenpremie werknemer eraf, loon voor de loonheffing, loonheffing eraf, eventueel bijdrage Zvw, dan de overige inhoudingen. Wat overblijft is het nettoloon.
  • De witte tabel geldt voor tegenwoordige dienstbetrekking, de groene voor uitkeringen en pensioen. De loonheffingskorting pas je bij één werkgever tegelijk toe.
  • De werkgeverslasten (WW, WIA, ZW en de werkgeversheffing Zvw) staan buiten de bruto-netto berekening, maar tellen wel voor je loonkosten.
  • Een loonstrook bevat verplicht het brutoloon, alle inhoudingen, het nettoloon, het loontijdvak en het geldende minimumloon.
  • Het bijzonder tarief op vakantiegeld en bonussen lijkt hoog, maar wordt via de inkomstenbelasting verrekend.
  • Elk tarief en elke grens uit dit hoofdstuk verandert per jaar. Controleer ze bij de Belastingdienst.
Kennischeck

In welke volgorde gaan de pensioenpremie van de werknemer en de loonheffing eraf, en waarom?

Een medewerker rijdt in een auto van de zaak. Wat doet die bijtelling met de grondslagen op zijn strook?

Marco schrikt van het tarief op zijn vakantiegeld en vraagt of dat wel klopt. Wat leg je uit?

Deel dit hoofdstuk: