4. Het gesprek voeren van opening tot afspraak

De eerste vijf minuten van een functioneringsgesprek bepalen vaak de toon van het hele uur. Wie meteen begint met een inhoudelijk punt, slaat de fase over waarin je samen vaststelt waar het gesprek over gaat. En aan het eind gebeurt hetzelfde in spiegelbeeld: een gesprek dat goed liep maar slecht eindigt, levert niets op. Dit hoofdstuk loopt het gesprek door, van de opening tot de afspraak die over drie maanden nog staat.

Leerdoelen

Na dit hoofdstuk:

  • Open je een functioneringsgesprek volgens de DATA-structuur en stel je samen de agenda vast.
  • Weet je welke vijf stappen het gesprek doorloopt en waarom de volgorde uitmaakt.
  • Bespreek je oude afspraken zo dat er een duidelijke uitkomst ligt: gehaald, blijft staan of aanpassen.
  • Concretiseer je een vaag punt op situatie, frequentie, gevolg en gewenste situatie.
  • Weet je hoe je het denkwerk bij de medewerker laat, ook bij een zwak voorstel.

De opening met DATA

De DATA-opening is een korte vaste routine. Je loopt vier punten langs voordat je het eerste inhoudelijke onderwerp aanraakt. Dat kost hooguit vijf minuten en levert een gesprek op waarin niemand hoeft te raden wat er komt.

Schema met bovenaan de vier onderdelen van de DATA-opening, doel, agenda, tijd en afspraken, en daaronder de vijf stappen van het gesprek: terugkijken, nieuwe punten, concretiseren, oplossen en afronden.
De opening met DATA, en daarna de vijf stappen van het gesprek.

De D van Doel: je zegt in een of twee zinnen waarom jullie hier zitten en welk soort gesprek dit is. Vooral als je organisatie werkt met een jaargesprek waarin meerdere gespreksvormen samenkomen, is die markering nodig. Zonder die zin zit je medewerker zich af te vragen of dit gevolgen heeft voor zijn salaris.

De A van Agenda: je vraagt welke punten de medewerker heeft ingebracht, noemt de jouwe, en samen bepaal je de volgorde. Hier wordt het gesprek van jou het gesprek van jullie. Iemand die zijn eigen punten terugziet op de agenda, zit anders in het gesprek dan iemand die een lijstje krijgt voorgelezen.

De T van Tijd: je noemt hoelang jullie hebben en hoe je die tijd verdeelt over de punten. Wie weet dat er nog drie onderwerpen wachten, blijft niet twintig minuten hangen op het eerste.

De A van Afspraken: je zegt vooraf hoe jullie vastleggen wat eruit komt. Wie schrijft mee, wat komt er in het verslag, wanneer krijgt de medewerker dat verslag, en hoe gaan jullie om met dingen die vertrouwelijk blijven.

Tip

Leg je voorbereidingsformulier zichtbaar op tafel in plaats van het onder je map te houden. Je medewerker ziet dan dat je je hebt voorbereid en dat er niets wordt achtergehouden. Dat scheelt argwaan in de eerste minuten.

Stap 1: terugkijken op eerdere afspraken

Zodra DATA staat, doorloop je de agenda in een vaste volgorde van vijf stappen. Je begint met wat er al lag, want anders stapel je nieuwe afspraken op oude die nooit zijn nagekomen. Deze eerste stap lijkt een formaliteit, maar hier ligt de geloofwaardigheid van je hele gesprekscyclus. Als afspraken uit het vorige gesprek zonder gevolg mogen verlopen, leert je medewerker dat afspraken vrijblijvend zijn.

Je pakt het verslag van het vorige gesprek erbij en loopt de afspraken één voor één langs. De volgorde doet ertoe: je vraagt eerst hoe de medewerker het ziet, daarna vertel je hoe jij het hebt waargenomen. Draai je dat om, dan hoor je vooral instemming met jouw beeld.

Elke afspraak eindigt in één van drie uitkomsten. Gehaald: je spreekt waardering uit, benoemt concreet wat je gezien hebt, sluit de afspraak af en komt er niet meer op terug. Nog niet gehaald, blijft staan: de afspraak was goed, de tijd was te kort of er kwam iets tussen, dus hij blijft staan met een nieuwe termijn. Aangepast: bij navraag blijkt de afspraak niet haalbaar, niet meer relevant of gericht op het verkeerde aangrijpingspunt, dus formuleer je hem opnieuw en noteer je waarom.

Die derde uitkomst is de meest onderschatte. Een afspraak die drie gesprekken achter elkaar blijft staan, is geen motivatieprobleem maar een ontwerpfout.

Voorbeeld

Vorig jaar spraken jullie af dat Karim "zichtbaarder wordt in het overleg". Bij navraag blijkt dat hij zich prima uitspreekt in het teamoverleg van acht personen, maar dichtklapt in het managementoverleg met dertig man. De afspraak was te breed geformuleerd.

Jullie passen hem aan: Karim presenteert het komende halfjaar twee keer een projectupdate in dat grote overleg, met vooraf een oefenmoment met jou. Niet "zichtbaarder worden", maar twee keer, met een datum erbij.

Stap 2: nieuwe onderwerpen inbrengen

Nadat de oude afspraken zijn langsgelopen, komt de agenda met nieuwe punten aan bod. De medewerker krijgt als eerste het woord. Begin jij met jouw punten, dan wordt alles wat hij daarna inbrengt automatisch een reactie op jouw agenda. Hij verdedigt zich, of hij slikt zijn eigen onderwerp in omdat het na jouw kritiek niet meer past. Begint hij, dan zet je meteen de horizontale verhouding neer die bij dit gesprekstype hoort.

Praktisch betekent dit dat je vraagt: "Je hebt zelf ook punten opgeschreven. Welke wil je als eerste bespreken?" Daarna houd je je mond langer dan comfortabel voelt. Wat er in die stilte komt, is vaak het punt waar het echt over gaat.

Daarna komen jouw onderwerpen. Het belangrijke verschil met het beoordelingsgesprek: je bent hier niet aan het corrigeren of waarderen, je legt een probleem op tafel dat jullie samen gaan oplossen. Dat hoor je terug in je formulering. Niet "je bent te laat met je rapportages", maar "de maandrapportage kwam in maart, april en mei tussen de vier en zes dagen na de deadline binnen. Daardoor kan ik het management niet op tijd informeren. Wat gebeurt er in die week?"

Stap 3: van klacht naar concreet probleem

Onderwerpen komen zelden binnen als een helder probleem. Ze komen binnen als een gevoel: "het loopt niet lekker met inkoop" of "ik krijg te weinig ruimte". Zolang het zo breed blijft, valt er niets aan te doen. Je concretiseert het punt eerst, en pas daarna ga je naar oplossingen.

Dat doe je met vier vragen. Naar de situatie: wanneer merkte je dat voor het laatst, en wat gebeurde er precies? Naar de frequentie: hoe vaak speelt dit, elke week of was dit een uitschieter? Naar het gevolg: wat kost het je, in tijd, in kwaliteit, in werkplezier? En naar de gewenste situatie: hoe zou het er wel uit moeten zien? Pas als je alle vier de antwoorden hebt, weet je waar je het over hebt.

Voorbeeld

Sanne brengt in dat ze zich "gepasseerd" voelt bij de verdeling van projecten. Haar leidinggevende vraagt door. Het gaat om twee projecten in het afgelopen kwartaal, beide toegewezen aan een collega die korter in dienst is. Sanne hoorde het pas toen de kick-off al gepland stond. Het gevolg is dat ze twijfelt of haar ambitie serieus genomen wordt, en wat ze zou willen is dat ze vooraf gevraagd wordt.

Nu ligt er geen vaag gevoel meer op tafel, maar een concreet punt: de verdeelbeslissing is twee keer genomen zonder haar te spreken. Daar kun je een afspraak over maken; over "gepasseerd voelen" niet.

Stap 4: problemen oplossen bij de medewerker

In deze fase gaan jullie van een geconcretiseerd probleem naar een werkbare oplossing. De regel is simpel en voor veel leidinggevenden lastig: het denkwerk ligt bij de medewerker, niet bij jou.

Je kent het werk en je ziet de oplossing meestal binnen twintig seconden. Toch is die uitspreken zelden de snelste route. Een oplossing die de medewerker zelf bedenkt, wordt uitgevoerd. Een oplossing die jij oplegt, wordt geprobeerd zolang je meekijkt. Je stelt dus vragen in plaats van antwoorden te geven. Wat heb je zelf al geprobeerd, zodat je niet iets voorstelt dat vorige maand al mislukte? Welke mogelijkheden zie je, en dan vraag je door tot er minstens twee alternatieven liggen, want bij één optie is er geen keuze maar berusting. Wat heb je van mij nodig, waarmee jouw rol in beeld komt: ruimte, budget, een besluit, een gesprek met een andere afdeling. En tot slot: wat is het eerste wat je gaat doen? De eerste stap maakt van een idee een actie.

Soms komt de medewerker met een voorstel waarvan je meteen weet dat het niet gaat werken. Schiet je het direct af, dan stopt het denken en wacht hij op jouw variant. Beter is doorvragen: "Stel dat je dat doet, wat gebeurt er dan in week drie?" Of: "Welke andere mogelijkheid heb je als dit niet lukt?" Meestal ontdekt hij het zwakke punt zelf. Ontdekt hij het niet, dan mag je het benoemen, maar met de vraag erachteraan: "Hoe zou je dat kunnen ondervangen?" Meedenken mag; je brengt een suggestie in als optie tussen de andere opties, niet als eindoordeel.

Stap 5: de afronding

In de afronding maak je van wat er besproken is iets waar jullie beiden over drie maanden nog op kunnen terugvallen. Je sluit af met een samenvatting van de afspraken, bij voorkeur gemaakt door de medewerker. Wat hij in zijn eigen woorden teruggeeft, is wat hij heeft begrepen. Wijkt dat af van wat jij bedoelde, dan merk je het nu en niet pas bij de evaluatie. Elke afspraak leg je zo vast dat een buitenstaander zou kunnen zien of hij is nagekomen.

Een afspraak zonder terugkoppelmoment verdwijnt. Spreek daarom in het gesprek zelf af wanneer jullie kijken hoe het loopt, en kies dat moment zo dat bijsturen nog zin heeft: halverwege de periode, niet een week voor het volgende jaargesprek. Vaak is een regulier voortgangsgesprek daar de logische plek voor.

De afspraken en het evaluatiemoment zet je direct in beide agenda's, nog voordat de medewerker de kamer uit is. Acties die van jou afhangen zet je meteen in gang: die mail over de cursus, dat gesprek met de andere teamleider. Afspraken die verweven raken met de dagelijkse gang van zaken worden nagekomen; afspraken die alleen in een verslag staan, verdwijnen uit beeld. Het verslag stuur je binnen een week, met de vraag of het klopt. Die bevestiging is later je onderbouwing.

Oefening

Kies een probleem dat een medewerker recent bij je op tafel legde en dat jij hebt opgelost. Werk uit:

  • Het probleem, beschreven in feiten en niet in etiketten.
  • Jouw reactie destijds: wat zei je precies?
  • Wie leverde de oplossing, jij of de medewerker?
  • Drie vragen waarmee je het denkwerk bij hem had kunnen leggen.
  • De afspraak die eruit kwam: wie doet wat, wanneer klaar, waaraan zichtbaar?
  • Het evaluatiemoment: was het afgesproken? Zo nee, wanneer had het gemoeten?

Kijk tot slot naar het resultaat: is de oplossing die jij aandroeg drie maanden later nog in gebruik?

Samenvatting

  • Open met DATA: doel, agenda, tijd en afspraken over de vastlegging. Kost vijf minuten en haalt het raden eruit.
  • Daarna vijf stappen: terugkijken, nieuwe punten, concretiseren, oplossen en afronden.
  • Oude afspraken eindigen in gehaald, blijft staan of aanpassen. Een afspraak die drie keer blijft staan is een ontwerpfout.
  • De medewerker brengt zijn punten als eerste in, anders wordt alles wat hij zegt een reactie op jouw agenda.
  • Concretiseer elk punt op situatie, frequentie, gevolg en gewenste situatie voordat je naar oplossingen gaat.
  • Het denkwerk ligt bij de medewerker: je vraagt door in plaats van te leveren, ook bij een zwak voorstel.
  • Sluit af met zijn samenvatting, vastgelegde afspraken, een evaluatiemoment dat ruimte laat voor bijsturing, en acties die meteen in beide agenda's staan.
Kennischeck

Waarom laat je de medewerker als eerste zijn onderwerpen inbrengen?

Een afspraak uit het vorige gesprek staat er voor de derde keer onveranderd. Wat is de meest waarschijnlijke conclusie?

Je medewerker komt met een oplossing waarvan je zeker weet dat die niet gaat werken. Wat doe je?

Klaar voor de volgende stap?

Je hebt de gratis starter van Functionerings- en beoordelingsgesprekken afgerond. Het volgende hoofdstuk in de volledige training is Het communicatiemodel: Zender en ontvanger, drie communicatiekanalen, de communicatiewetten en de houding van de leidinggevende.

Volg de 2-daagse training →

Vanaf €1250,- excl. btw · met een ervaren trainer erbij

Deel dit hoofdstuk: