2. Zo ziet het IPMA-D-examen eruit
Het IPMA-D-examen toetst kennis uit de ICB4 en het vermogen om die kennis toe te passen op een beschreven situatie. Wie de opzet kent, verdeelt zijn tijd beter en verspilt geen punten aan verkeerd gelezen vragen. Dat laatste is geen klein detail: kandidaten die zakken, kennen de stof meestal wel.
Na dit hoofdstuk:
- Ken je de onderdelen van het IPMA-D-examen en het verschil tussen die twee delen.
- Weet je welke vraagtypen je kunt verwachten en wat een beoordelaar in je antwoord zoekt.
- Herken je de vier signaalwoorden die bepalen hoeveel je schrijft.
- Weet je hoe je een rekenvraag aanpakt zodat je ook bij een fout eindantwoord punten houdt.
- Heb je een studieplanning richting je examendatum op papier staan.
Het examen in twee delen

Het examen valt uiteen in twee delen die elk iets anders van je vragen. In het meerkeuzedeel gaat het om herkennen: welke definitie hoort bij welk begrip, welke fase levert welk product op, welk beheersaspect uit TGKIO speelt hier. Die vragen zijn kort en je hebt er weinig tijd per stuk.
Het tweede deel werkt met een casusbeschrijving van een project. Daarbij krijg je open vragen die je dwingen te kiezen en te onderbouwen. Reken erop dat je een netwerk moet uitrekenen om het kritieke pad te bepalen, een deel van een Work Breakdown Structure moet opzetten of een risico in de vorm oorzaak-gebeurtenis-gevolg moet formuleren. Hoofdstuk 4 van deze gratis cursus gaat precies over dat eerste.
De syllabus van de training gaat uit van een examen van drie uur, maar de exacte aantallen vragen, de duur en de cesuur worden vastgesteld door de exameninstelling en kunnen per ronde verschillen. Zo bereid je je op de actuele situatie voor: je downloadt de meest recente examengids van je exameninstelling, je noteert duur, aantal vragen en toegestane hulpmiddelen op één A4, je zoekt uit of een rekenmachine en kladpapier zijn toegestaan, en je plant een proefexamen onder examentijd, minimaal twee weken vóór de echte datum.
Waar de beoordelaar op let
Bij de open vragen kijken beoordelaars naar drie dingen. Correcte terminologie: je gebruikt de begrippen zoals de ICB4 en de gangbare methodes ze hanteren, niet je eigen bewoording van het bedrijf waar je werkt. Wat bij jullie "de weekstand" heet, is op het examen een voortgangsrapportage. Koppeling aan de casus: een algemeen goed antwoord zonder verwijzing naar de gegeven situatie levert minder punten op dan een antwoord dat de casusgegevens noemt. En zichtbare tussenstappen: bij rekenvragen tellen je voorwaartse en achterwaartse berekening mee. Alleen een einddatum opschrijven is riskant.
Kennisvragen en toepassingsvragen
Een kennisvraag vraagt om reproductie: welke fasen kent het zesfasenmodel, welke vijf beheersaspecten onderscheid je, wat is het verschil tussen een mijlpaal en een activiteit. Zo'n vraag beantwoord je kort en volledig. Als er om vijf aspecten gevraagd wordt, noem je er vijf, ook als je er drie uitgebreid kunt toelichten.
Een toepassingsvraag hangt aan een casus. Je krijgt een situatiebeschrijving van tien tot dertig regels en daarna een reeks vragen die je alleen goed kunt beantwoorden als je de casus erbij haalt. Het antwoord "je stelt een risicolog op" levert weinig punten op. Het antwoord waarin je twee risico's uit de casus benoemt in de vorm oorzaak-gebeurtenis-gevolg, met per risico een maatregel en een eigenaar, levert wel punten op.
In de casus onderstreep je alle getallen, data, namen en rollen voordat je de vragen leest. Beoordelaars belonen antwoorden die naar die concrete gegevens verwijzen. Een antwoord zonder één verwijzing naar de casus is bijna altijd te algemeen.
Rekenvragen met netwerk en voortgang
Bij rekenvragen krijg je meestal een activiteitenlijst met duur en voorgangers, of een tabel met PV, EV en AC op een peildatum. De vraag is dan om het kritieke pad te bepalen, de speling van een activiteit te berekenen, of de SPI en CPI uit te rekenen en te duiden.
Zo pak je zo'n vraag aan. Eerst tekenen, dan rekenen: je zet het netwerk of het schema over op kladpapier voordat je begint met rekenen. Rekenfouten ontstaan vrijwel altijd doordat iemand meteen in de tabel gaat zitten cijferen. Tussenstappen noteren: bij een fout eindantwoord krijg je nog punten voor een juiste redenering, maar alleen als die redenering op papier staat. De eenheid vermelden: werkdagen, uren of euro's, een kaal getal zonder eenheid is niet toetsbaar. En het resultaat duiden: vrijwel elke rekenvraag heeft een vervolgvraag die om interpretatie vraagt.
Karim rekent in het tweede deel een CPI uit en komt op 0,85. Hij schrijft dat getal op en gaat door naar de volgende vraag. De vervolgvraag luidde alleen: wat betekent dit voor je project? Het antwoord dat punten oplevert is: een CPI van 0,85 betekent dat je voor elke bestede euro 85 cent aan begrote waarde hebt gerealiseerd, en dus dat je uit de kosten loopt. Twee zinnen, tien seconden werk, en Karim liet ze liggen omdat hij het getal al had.
Signaalwoorden in de vraagstelling
De werkwoorden in de vraag bepalen wat de beoordelaar afvinkt. Vier komen er steeds terug. Bij noem of geef volstaat een opsomming; geen toelichting nodig, wel het gevraagde aantal. Bij beschrijf of leg uit geef je per punt één of twee zinnen inhoud: wat houdt het in en waarvoor dient het. Bij onderbouw of motiveer geef je per punt een reden die je aan de casus koppelt; zonder "omdat" mis je hier punten. En bij bereken lever je een getal plus de eenheid plus je tussenstappen. Een toelichting in woorden erbij kost tien seconden en redt vaak een halve punt.
De vraag luidt: "In de casus wil de opdrachtgever de opleverdatum vier weken vervroegen. Noem twee maatregelen en onderbouw per maatregel het gevolg voor de andere beheersaspecten."
Een zwak antwoord: "Crashing en fast tracking toepassen."
Een sterk antwoord: "Crashing op activiteit D en E, die beide op het kritieke pad liggen. Extra inzet van twee testers verkort de doorlooptijd met circa twee weken, maar verhoogt de projectkosten met ongeveer 30.000 euro. Daarnaast fast tracking tussen 'Ontwerp afronden' en 'Bouw starten' door de Finish-Start-relatie om te zetten naar Start-Start met een lag van vijf dagen. Dat kost geen extra geld, maar vergroot het risico op herwerk omdat het ontwerp nog kan wijzigen."
Het verschil zit niet in kennis. Allebei de antwoorden noemen dezelfde twee maatregelen. Het tweede antwoord koppelt ze aan de casus, noemt getallen en benoemt per maatregel het gevolg, precies wat het werkwoord "onderbouw" vraagt.
Een studieplan dat terugtelt
Terugtellen vanaf de examendatum werkt beter dan vooruitplannen vanaf vandaag. Je weet dan precies hoeveel weken je hebt en welke onderwerpen in welke week aan bod komen. Acht weken van drie uur per week is voor de meeste kandidaten voldoende, mits die uren er ook echt zijn.
Je hersenen onthouden meer van kort en herhaald dan van lang en eenmalig. Een blok van drie uur op zondagavond levert minder op dan drie blokken van een uur verspreid over de week. Verdeel je studietijd daarom zo: plan vaste momenten en zet ze in je agenda als afspraak met een begin- en eindtijd, niet als voornemen. Begin elk blok met herhalen: vijf minuten terugkijken op de vorige keer, zonder het boek open; wat je niet kunt oproepen, is de leerstof van vandaag. Wissel lezen af met maken: na elk hoofdstuk beantwoord je drie oefenvragen, want passief lezen geeft een gevoel van beheersing dat niet klopt. En houd een foutenlogboek bij: je noteert per fout wat je dacht en wat het juiste antwoord was. In de laatste week bestudeer je alleen nog dat logboek.
Het proefexamen onder examentijd is het belangrijkste meetmoment van je hele voorbereiding. Je oefent er twee dingen mee: de stof en je tempo. Kandidaten die zakken, kennen de stof meestal wel, maar komen aan de laatste casus niet toe. Na het proefexamen kijk je je werk na en verdeel je de fouten in drie categorieën: kennisgaten, leesfouten en tijdgebrek. Elke categorie vraagt om een andere maatregel. Een kennisgat vul je met studeren, een leesfout met langzamer lezen en markeren, tijdgebrek met een strakker tijdsbudget per vraag.
Marjolein heeft haar examen op 14 november en telt terug. Dat zijn negen weken. Ze plant drie blokken van een uur per week, op dinsdag- en donderdagochtend voor het werk en zaterdagochtend. Haar proefexamen zet ze in week 7, dus ruim twee weken voor de datum. Ze maakt het onder tijd en komt aan de laatste twee casusvragen niet toe. In haar nakijkronde blijken zes fouten kennisgaten rond earned value, drie leesfouten waarbij ze "noem" las als "beschrijf" en dus te lang schreef, en twee vragen onbeantwoord door tijdgebrek. Haar laatste twee weken zien er daardoor anders uit dan ze had gedacht: earned value herhalen, en per vraagtype een tijdsbudget afspreken met zichzelf.
Je examendatum op papier, en dan terugtellen.
- Examendatum, of de maand waarin je hem wilt plannen.
- Aantal weken tot dat moment.
- Twee onderwerpen waarop je jezelf nu het zwakst vindt.
- Aantal studieblokken per week en de duur ervan, met de dag en het tijdstip erbij.
- De week waarin je je proefexamen maakt.
- De persoon die je vraagt om je casusantwoorden na te kijken.
Samenvatting
- Het examen bestaat uit twee delen: meerkeuzevragen waarin je herkent, en open vragen bij een casus waarin je toepast.
- In het casusdeel kun je een netwerkberekening, een stuk WBS of een risico in de vorm oorzaak-gebeurtenis-gevolg verwachten.
- Aantal vragen, duur en cesuur stelt de exameninstelling vast. Haal de actuele examengids op en noteer de gegevens op één A4.
- Beoordelaars letten op correcte terminologie, koppeling aan de casus en zichtbare tussenstappen.
- De vier signaalwoorden: noem (opsomming), beschrijf (een of twee zinnen per punt), onderbouw (per punt een reden uit de casus) en bereken (getal, eenheid en tussenstappen).
- Bij rekenvragen teken je eerst, noteer je tussenstappen, zet je de eenheid erbij en duid je het resultaat.
- Onderstreep in de casus alle getallen, data, namen en rollen voordat je de vragen leest.
- Tel je studieplan terug vanaf de examendatum: korte herhaalde blokken, een foutenlogboek en een proefexamen onder tijd, twee weken vóór de datum.
- Verdeel de fouten uit je proefexamen in kennisgaten, leesfouten en tijdgebrek; elke categorie vraagt een andere maatregel.
Een examenvraag begint met "Onderbouw waarom je in deze situatie kiest voor fast tracking." Wat verwacht de beoordelaar?
Je rekent een kritiek pad uit en je eindantwoord blijkt fout. Waarom is het toch zinvol dat je je voorwaartse en achterwaartse berekening hebt opgeschreven?
Waarom is het proefexamen onder examentijd volgens dit hoofdstuk het belangrijkste meetmoment van je voorbereiding?