2. Hoe mensen leren volgens Kolb

Leren gebeurt niet doordat jij iets uitlegt. Het gebeurt doordat iemand iets meemaakt, erover nadenkt, er een naam voor krijgt en het daarna anders doet. David Kolb bracht die beweging in kaart als een cirkel van vier fasen. Dat model is geen theorie voor de boekenkast: het is de scherpste toets die je op je eigen programma kunt loslaten, want het laat precies zien waar jouw training halverwege blijft steken.

Leerdoelen

Na dit hoofdstuk:

  • Beschrijf je de vier fasen van de leercirkel en herken je ze in je eigen programma.
  • Zie je welke fase in jouw training meestal wordt overgeslagen, en wat dat kost.
  • Onderscheid je de vier leerstijlen en de signalen waaraan je ze in een groep herkent.
  • Gebruik je de aandachtsboog en de kracht van herhaling bij het indelen van een dagdeel.
  • Ontwerp je een afsluiting die de kans vergroot dat er maandag echt iets verandert.

De vier fasen van de leercirkel

Kolb ziet leren als een cirkel die je steeds opnieuw doorloopt. Elke fase levert iets op wat de volgende fase nodig heeft. Sla je er een over, dan valt het leren stil.

In de concrete ervaring maakt de deelnemer iets mee: een rollenspel, een gesprek, een handeling die hij uitprobeert. Er ligt materiaal om over na te denken. In de reflectieve observatie kijkt hij terug. Wat deed hij, wat deed de ander, wat viel op, wat voelde ongemakkelijk? Hier horen de nabespreking en het terugkijken van beeld. In de abstracte begripsvorming krijgt de ervaring een naam: je verbindt wat de groep zag aan een model of een regel, en daarmee wordt het overdraagbaar naar andere situaties. In het actief experimenteren probeert de deelnemer het opnieuw met wat hij nu weet: een tweede ronde van de oefening, een aangescherpte aanpak, of een concreet plan voor maandag. Dat experiment levert een nieuwe ervaring op, en de cirkel begint van voren af aan.

De leercirkel van Kolb met de vier fasen ervaren, reflecteren, begripsvorming en experimenteren, en daartussen de vier leerstijlen doener, dromer, denker en beslisser.
De vier fasen van de leercirkel, met de vier leerstijlen tussen de fasen in.

Waar jouw training de cirkel breekt

De meeste trainingen sneuvelen op fase drie en vier. Er wordt geoefend, er wordt kort nagepraat, en dan gaat de trainer door naar het volgende onderdeel omdat de klok dringt. De ervaring krijgt geen naam en de deelnemer krijgt geen tweede kans om het beter te doen. Wat overblijft is een leuke middag zonder gedragsverandering.

Andersom komt net zo vaak voor. Je legt drie modellen uit, de groep knikt, en er wordt niets uitgeprobeerd. Zonder eigen ervaring heeft de deelnemer niets om het model aan op te hangen. Het blijft in jouw hoofd zitten in plaats van in dat van de groep. Je hoeft overigens niet altijd bij fase één te beginnen. Bij een groep die het onderwerp al kent, werkt starten met reflectie op eigen praktijkervaring prima, en bij een technisch onderwerp begin je soms bij de theorie. De eis is niet waar je instapt, maar dat de groep de cirkel afmaakt voordat je verder gaat.

Voorbeeld

Twee opzetten van hetzelfde onderdeel "slecht nieuws brengen", allebei vijfenveertig minuten. In opzet A legt de trainer twintig minuten het model uit, laat daarna twee deelnemers voor de groep een gesprek voeren en vraagt tot slot: "En, hoe ging dat?" Er is een korte ervaring voor twee mensen en een half stukje reflectie. Fase vier komt niet aan bod. In opzet B begint de groep meteen met een gesprek in tweetallen, twaalf minuten, dus iedereen doet mee. Daarna beschrijft elk tweetal in vijf minuten wat er precies gebeurde op het moment dat het schuurde. De trainer zet dan in acht minuten het model op de flip-over en laat de groep hun eigen momenten erin plaatsen. In de laatste vijftien minuten voert iedereen het gesprek opnieuw, met één bewust andere keuze. Zelfde onderwerp, zelfde tijd, en in opzet B heeft iedereen de hele cirkel rondgelopen.

De vier leerstijlen in je zaal

Deelnemers doorlopen dezelfde cirkel, maar niet met hetzelfde gemak. De ene fase voelt als thuiskomen, de andere als een verplicht nummer. Die voorkeur voor twee aangrenzende fasen noemt Kolb een leerstijl. Voor jou verklaart dat waarom dezelfde werkvorm de helft van je groep laat stralen en de andere helft laat afhaken.

De doener zit tussen ervaren en uitproberen. Hij staat als eerste op bij een rollenspel, wil weten wat er gebeurt als hij het anders aanpakt en heeft weinig geduld met inleidingen. Je hoort hem zeggen: kunnen we niet gewoon beginnen? Hij slaat de reflectie het liefst over, en daar heeft hij jouw vragen juist voor nodig.

De dromer zit tussen ervaren en observeren. Hij neemt de situatie in zich op, voelt de sfeer en heeft tijd nodig voor hij iets zegt. Hij komt vaak met de scherpste observatie van de dag, maar alleen als je stilte laat vallen of eerst in tweetallen laat overleggen. Onder tijdsdruk verdwijnt hij naar de achtergrond.

De denker zit tussen observeren en begripsvorming. Hij wil weten waar het model vandaan komt, hoe de begrippen zich tot elkaar verhouden en wat de uitzonderingen zijn. Hij stelt de vraag die jouw schema onder druk zet. Een oefening zonder kader voelt voor hem als aanmodderen, dus hij heeft de theorie nodig voordat hij zich veilig genoeg voelt om te oefenen.

De beslisser zit tussen begripsvorming en experimenteren. Hij vertaalt het model direct naar zijn eigen werk en toetst of het praktisch houdbaar is. Hij vraagt: en hoe doe ik dit bij een medewerker die al twintig jaar zo werkt? Bij te veel theorie zonder toepassing verliest hij interesse, en bij een oefening zonder model vindt hij het te vaag.

Je gaat geen vier programma's naast elkaar draaien. Een training die de hele cirkel netjes doorloopt, bedient alle vier de stijlen vanzelf: iedereen krijgt zijn favoriete fase én de fase die hij normaal ontwijkt. In dat tweede zit de groei, want de doener leert terugkijken en de denker leert uitproberen. Wat je wel bewust doet, is de overgangen aankondigen. Zeg je dat er eerst tien minuten theorie komt en daarna een halfuur oefenen, dan houdt de doener het uit en weet de denker dat zijn kader op tijd komt.

Tip

Zet in je draaiboek achter elk programmaonderdeel een cijfer van 1 tot 4 voor de fase die het bedient. Zie je alleen enen en drieën staan, dan weet je waar je moet bijbouwen. En vraag bij een nieuwe groep in het eerste rondje: wat helpt jou om iets te leren, eerst zelf doen, eerst kijken, eerst begrijpen of eerst weten waar het toe leidt? In vijf minuten heb je een beeld van de mix in de zaal.

Werken met de aandachtsboog

De aandachtsboog is het verloop van de concentratie van een groep over de tijd. Aan het begin van een blok is de aandacht hoog, daarna zakt hij weg, en tegen het eind veert hij wat op omdat de afsluiting in zicht komt. Bij passief luisteren is de bruikbare piek kort: na een kwartier tot twintig minuten neemt de opname zichtbaar af. Wat er in het midden van een lang blok langskomt, blijft het slechtst hangen. Dat is geen kwestie van motivatie, en het gaat ook niet over met een beter verhaal.

Elke wisseling in werkvorm, positie of tempo zet de boog opnieuw aan. Dat kan klein zijn: een vraag aan de groep, twee minuten overleg met je buur, een verplaatsing naar de flip-over, een korte opdracht op papier. Je hoeft de inhoud er niet voor te veranderen, alleen de vorm waarin hij binnenkomt. Een bruikbare vuistregel is dat er elke twintig minuten iets gebeurt waarbij de deelnemers zelf iets moeten doen. Zet in de kantlijn van je draaiboek de klokminuten waarop zo'n wisselmoment valt; zie je een gat van veertig minuten, dan weet je waar de dip gaat vallen.

Daar komt bij dat je werkgeheugen maar een paar eenheden tegelijk verwerkt. Alles wat je daarbovenop stapelt, verdringt wat er net in zat. Drie modellen achter elkaar op één sheet leveren geen drie modellen op, maar hoogstens één plus een vaag gevoel van veel. Vier dingen helpen daartegen. Je chunkt: je knipt de stof in blokjes van drie tot vijf punten en geeft elk blokje een naam, want een groep onthoudt "de vier G's" makkelijker dan twaalf losse aanwijzingen. Je haakt aan bij wat er al is door naar een eigen ervaring te vragen vóór je het model geeft. Je herhaalt met tussenruimte: wat je 's ochtends uitlegde komt aan het eind van de dag kort terug en de volgende ochtend nog een keer. En je voegt emotie of beweging toe, want wat verrast, raakt of lichamelijk gebeurt, krijgt voorrang in het geheugen. Een opstelling in de ruimte blijft langer hangen dan dezelfde informatie in bullets.

Van leren naar transfer

Transfer is het moment waarop iemand in zijn eigen werk anders gaat doen wat hij in de training heeft geoefend. Dat is het enige punt waarop een training rendement oplevert, en meteen het punt waar het meestal misgaat. De energie in de zaal was prima, en maandag valt iedereen terug in het oude patroon. Daar zijn drie oorzaken voor die je bijna altijd terugziet: de geoefende situatie leek niet genoeg op de echte, de deelnemer heeft nergens vastgelegd wanneer hij het gaat doen, en op de werkplek merkt niemand het nieuwe gedrag op.

Je kunt die werkplek niet veranderen, maar je hebt meer invloed dan het lijkt. Het materiaal waarmee je oefent komt uit de praktijk van deze deelnemers en niet uit een standaardcasus. En de vierde fase van de cirkel plan je niet als een afsluitende samenvatting, maar als besluit: wat ga je doen, met wie, en wanneer. Hoe specifieker dat besluit, hoe groter de kans dat het gebeurt.

Voorbeeld

Twee afsluitingen van hetzelfde blok over feedback geven, bij een groep van tien. Afsluiting A duurt vijf minuten: "Wie wil er nog iets kwijt over vandaag?" Vier mensen noemen wat ze interessant vonden, iedereen gaat met een goed gevoel naar huis. Afsluiting B duurt zeven minuten: iedereen schrijft één naam op, één gedrag dat hij bij die persoon wil benoemen en één dag in de komende week. Daarna deelt de groep het in tweetallen en spreken de tweetallen af dat ze elkaar vrijdag een bericht sturen over hoe het ging. Bij de terugkomochtend drie weken later blijkt uit groep B dat zeven van de tien het gesprek gevoerd hebben. Twee minuten extra, en een heel ander resultaat.

Oefening

Pak een onderdeel van vijfenveertig tot zestig minuten uit een training die je al eens hebt gegeven of binnenkort geeft.

  • Wat doen de deelnemers zelf, en hoeveel minuten duurt dat (fase 1)?
  • Waar kijken ze terug op wat er gebeurde (fase 2)?
  • Waar krijgt die ervaring een naam of een model (fase 3)?
  • Waar mogen ze het opnieuw of anders proberen (fase 4)?
  • Welke fase blijft leeg of krijgt minder dan vijf minuten?

Schrijf in twee of drie zinnen op wat je gaat schrappen om ruimte voor die fase te maken. Schrappen hoort erbij: de cirkel afmaken kost tijd die je ergens anders weghaalt. Leg daarna naast elkaar hoeveel minuten jij aan het woord bent en hoeveel minuten de groep zelf iets doet.

Samenvatting

  • De leercirkel heeft vier fasen: concrete ervaring, reflectieve observatie, abstracte begripsvorming en actief experimenteren.
  • De meeste trainingen slaan fase drie en vier over: er wordt geoefend en kort nagepraat, maar de ervaring krijgt geen naam en geen tweede ronde.
  • Instappen mag overal; de eis is dat de groep de cirkel afmaakt voor je verdergaat.
  • De vier leerstijlen zijn de doener, de dromer, de denker en de beslisser. Een volledige cirkel bedient ze alle vier.
  • Kondig je overgangen aan, dan houdt de doener de theorie uit en weet de denker dat zijn kader komt.
  • Reken op een wisselmoment per twintig minuten, chunk je stof, haak aan bij wat er al is en herhaal met tussenruimte.
  • Transfer regel je in het ontwerp: eigen casusmateriaal, een concreet eerste moment met wie en wanneer, en een herhaling na de training.
Kennischeck

Een trainer legt een model uit, laat de groep oefenen en vraagt daarna kort hoe het ging. Welke fasen van de leercirkel komen hier tekort?

Een deelnemer wil weten waar je model vandaan komt en wat de uitzonderingen zijn, en aarzelt bij een oefening zonder kader. Welke leerstijl herken je?

Je wilt de kans vergroten dat deelnemers maandag daadwerkelijk iets anders doen. Wat werkt daarvoor het best?

Deel dit hoofdstuk: