3. Bijzondere bedingen
Twee afspraken leveren na een vertrek de meeste discussie op: het concurrentiebeding en het relatiebeding. Ze werken pas als het dienstverband voorbij is, en juist dan blijkt hoe scherp de formulering was. Daarnaast lopen in dit hoofdstuk drie bedingen mee die tijdens het dienstverband spelen: het nevenwerkzaamhedenbeding, het boetebeding en het studiekostenbeding.
Na dit hoofdstuk:
- Weet je aan welke eisen een concurrentiebeding moet voldoen om geldig te zijn.
- Herken je wanneer een beding bij een contract voor bepaalde tijd wel of niet standhoudt.
- Kun je uitleggen hoe een rechter een concurrentiebeding toetst, matigt of vernietigt.
- Zie je het verschil tussen een concurrentiebeding en een relatiebeding, en waarom ze juridisch onder dezelfde regel vallen.
- Beoordeel je een nevenwerkzaamheden-, boete- en studiekostenbeding op houdbaarheid.
Dit hoofdstuk geeft algemene uitleg over de eisen die de wet aan deze bedingen stelt. Het is geen juridisch advies. Of een beding in een concreet geval standhoudt, hangt af van de formulering, de functie en alle omstandigheden, en een rechter weegt die zelf. Een CAO kan bovendien eigen regels stellen. Wil je een beding inroepen of herschrijven, leg het dan eerst voor aan een jurist.
Het concurrentiebeding
Een concurrentiebeding is een schriftelijke afspraak waarmee je een werknemer beperkt in zijn vrijheid om na afloop van het dienstverband ergens anders werkzaam te zijn. Meestal gaat het om een verbod op werken bij een concurrent, soms ook op het starten van een eigen concurrerend bedrijf. De basis staat in artikel 7:653 BW.
Het beding botst met een grondrecht: de vrije arbeidskeuze. Daarom stelt de wetgever harde voorwaarden.

De eerste eis is dat het beding schriftelijk is overeengekomen. Het schriftelijkheidsvereiste uit hoofdstuk 2 geldt hier onverkort: een verwijzing in een personeelshandboek volstaat niet. De tweede eis is dat het gaat om een meerderjarige werknemer. Met iemand onder de achttien kun je geen rechtsgeldig concurrentiebeding afspreken. De derde eis geldt alleen bij een contract voor bepaalde tijd: dan mag een concurrentiebeding alleen als je in het contract zelf motiveert welke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen het beding noodzakelijk maken.
Die derde eis wordt in de praktijk het vaakst onderschat. De motivering moet concreet zijn en gaan over deze functie bij dit bedrijf. Een standaardzin als "gelet op de bedrijfsbelangen van werkgever" haalt het niet. Ontbreekt de motivering of is hij te vaag, dan is het beding nietig en kun je het niet repareren door achteraf een toelichting te sturen.
Wat de rechter met het beding doet
Ook een geldig beding is geen garantie. De rechter kan het geheel of gedeeltelijk vernietigen als de werknemer, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, onbillijk wordt benadeeld. Hij weegt daarbij het belang van de werkgever, zoals het klantenbestand, prijsinformatie of technische kennis, tegen het belang van de werknemer bij zijn nieuwe baan.
Vaker dan volledige vernietiging zie je matiging. De rechter knipt dan in de duur, het gebied of de omschreven werkzaamheden. Een beding van twee jaar voor heel Nederland wordt bijvoorbeeld teruggebracht tot zes maanden binnen een straal van vijftig kilometer.
Twee aanvullende regels zijn belangrijk. Houdt de rechter het beding in stand, dan kan hij bepalen dat de werkgever een vergoeding betaalt zolang de werknemer beperkt wordt. En is het einde van het dienstverband het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan kan die zich niet meer op het beding beroepen.
Een functiewijziging vraagt om extra aandacht. Gaat een werknemer een ingrijpend andere functie vervullen, dan kan het oude beding zwaarder gaan drukken dan bij ondertekening voorzien was. Het beding verliest dan zijn werking voor zover die verzwaring niet was voorzien. Bij een promotie of een overstap naar een andere afdeling leg je het beding dus opnieuw vast.
Sanne tekent een jaarcontract als accountmanager. In het contract staat: "Werknemer zal gedurende twaalf maanden na afloop niet werkzaam zijn bij een concurrerende onderneming. Werkgever heeft hierbij een zwaarwegend bedrijfsbelang." Na afloop stapt Sanne over naar een branchegenoot. De werkgever roept het beding in. De kantonrechter oordeelt dat de motivering niets zegt over Sannes functie, over welke kennis zij meeneemt of waarom juist bij haar bescherming nodig is. Het beding is nietig en Sanne kan gewoon beginnen. Was in het contract omschreven dat Sanne beschikt over de complete inkoopcalculatie en marge-afspraken van de vijftien grootste klanten, en dat die informatie bij een concurrent direct inzetbaar is, dan had de uitkomst anders kunnen liggen.
Het relatiebeding
Een relatiebeding verbiedt geen werkgever, maar bepaalde contacten. De werknemer mag na zijn vertrek gewoon bij een concurrent aan de slag, maar niet zakendoen met klanten, leveranciers of andere relaties van zijn oude werkgever. Soms wordt daar een verbod op het benaderen van oud-collega's aan toegevoegd.
Belangrijk voor je praktijk: een relatiebeding is juridisch gewoon een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW. Het beperkt de werknemer immers in zijn bevoegdheid om na het dienstverband op zekere wijze werkzaam te zijn. Alle eisen hierboven gelden dus onverkort, inclusief de motiveringsplicht bij een contract voor bepaalde tijd. Omdat de beperking lichter is, houdt een relatiebeding het bij de rechter wel vaker vol dan een volledig concurrentiebeding: de werknemer kan zijn vak blijven uitoefenen en alleen een afgebakende groep klanten is voor een periode buiten bereik.
Omschrijf de relatiekring zo scherp mogelijk. "Alle relaties van werkgever" is te ruim en nodigt uit tot matiging. Werkbaar is bijvoorbeeld: klanten waarmee de werknemer in de laatste twaalf maanden van het dienstverband zakelijk contact heeft gehad. Die formulering is controleerbaar en sluit aan bij het belang dat je wilt beschermen.
Het nevenwerkzaamhedenbeding
Een werknemer werkt in het weekend bij een ander bedrijf, runt een webshop of neemt als zzp'er klussen aan. Tot 2022 kon een werkgever dat vrijwel altijd verbieden met een simpele zin in het contract. Sinds 1 augustus 2022 is die vrijheid verdwenen. Artikel 7:653a BW bepaalt dat een beding waarin je nevenwerkzaamheden verbiedt nietig is, tenzij er een objectieve rechtvaardigingsgrond is. Die regel komt uit de Europese richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, waarvan het uitgangspunt is dat wat een werknemer buiten werktijd doet in beginsel zijn eigen zaak is.
De wet noemt geen gesloten lijst, maar vier categorieën gaan in de praktijk het vaakst op. De eerste is gezondheid en veiligheid: de Arbeidstijdenwet stelt grenzen aan de totale arbeidsduur over alle banen samen. De tweede is de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, bijvoorbeeld als iemand ook werkt voor een partij die belang heeft bij jouw klantgegevens of prijsstellingen. De derde is het vermijden van belangenconflicten: een inkoper die 's avonds meewerkt bij een van de leveranciers zit in een positie die je niet wilt. De vierde is de integriteit van overheidsdiensten, waarvoor bij bepaalde publieke functies aanvullende eisen aan onafhankelijkheid gelden.
Bijzonder aan artikel 7:653a BW is de timing van de motivering. Je hoeft de rechtvaardiging niet in het contract op te schrijven. Je mag hem geven op het moment dat de werknemer zich meldt met een concrete nevenactiviteit en jij daar bezwaar tegen maakt. Toch is het verstandig die motivering meteen in het beding op te nemen, want dan weet iedereen vooraf waar hij aan toe is.
Nadia werkt 32 uur per week als applicatiebeheerder. Ze meldt dat ze in de avonduren een eigen bedrijfje start waarin ze websites bouwt voor sportverenigingen. Haar werkgever verwijst naar het nevenwerkzaamhedenbeding en verbiedt het. Bij de kantonrechter houdt dat verbod geen stand. De sportverenigingen zijn geen klanten en geen concurrenten, er is geen vertrouwelijke informatie in het spel en met 32 uur plus enkele avonduren blijft Nadia ruim binnen de Arbeidstijdenwet. Er is geen objectieve rechtvaardigingsgrond, dus het beding is nietig. Was Nadia 40 uur per week ambulanceverpleegkundige geweest en had ze er twee nachtdiensten per week bij willen doen in een verpleeghuis, dan was de uitkomst waarschijnlijk andersom.
Een absoluut verbod is zelden nodig en juridisch kwetsbaar. Een meldplicht werkt beter: de werknemer geeft nevenwerkzaamheden vooraf schriftelijk door, en de werkgever kan bezwaar maken als een van de gronden speelt. Maak die meldplicht compleet met een reactietermijn, bijvoorbeeld twee weken, waarna de melding als geaccepteerd geldt. Dat voorkomt dat de discussie pas losbarst als de werknemer al maanden bezig is.
Het boetebeding
Een boetebeding koppelt een vast geldbedrag aan de overtreding van een voorschrift uit de arbeidsovereenkomst. Het is de stok achter de deur bij geheimhouding, bij het concurrentie- en relatiebeding en soms bij huisregels over veiligheid. De aantrekkelijkheid is dat je bij een overtreding geen schade hoeft te bewijzen: het bedrag staat vast en is meteen opeisbaar. Precies daarom heeft de wetgever het streng ingekaderd in artikel 7:650 BW.
Er zijn vijf eisen. Het beding moet schriftelijk vastliggen, zowel de gedraging als het bedrag. De overtreding moet nauwkeurig omschreven zijn: "het niet naleven van de bedrijfsregels" is te vaag, want de werknemer moet vooraf kunnen weten welk gedrag hem een boete oplevert. De arbeidsovereenkomst moet een bestemming noemen voor het geld, en die mag niet strekken tot persoonlijk voordeel van de werkgever of van de leidinggevende die de boete oplegt; een personeelsfonds of een goed doel zijn gangbaar. Het moet gaan om een bedrag in euro's, niet om een percentage van het loon of een bedrag ter beoordeling van de directie. En er geldt een maximum per week: binnen één week mag het totaal aan boetes niet hoger zijn dan het in geld vastgestelde loon over een halve dag, en ook een afzonderlijke boete mag daar niet boven uitkomen.
De laatste drie eisen zijn niet absoluut. Verdient de werknemer meer dan het wettelijk minimumloon, dan mag je daarvan schriftelijk afwijken. Dat is de reden dat je in de praktijk bedingen ziet van vijfduizend euro per overtreding plus vijfhonderd euro per dag dat de overtreding voortduurt. Voor een werknemer op minimumloonniveau zijn die drie eisen wel dwingend. Wat je nooit kunt uitsluiten, is de matigingsbevoegdheid van de rechter: die mag de boete altijd lager vaststellen, en doet dat met regelmaat als het bedrag niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding of tot het inkomen van de werknemer.
Artikel 7:651 BW dwingt bovendien tot een keuze. Voor dezelfde overtreding kun je de boete opeisen of de werkelijk geleden schade vorderen, maar niet allebei tegelijk. Toch staat in veel contracten een zin als "onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vorderen". Die combinatie is in strijd met de wet. De oplossing is een keuzeclausule: de werkgever bepaalt per overtreding of hij de boete inroept of de schade claimt.
Het studiekostenbeding
Een medewerker volgt op kosten van de zaak een tweejarige opleiding van achtduizend euro en vertrekt drie maanden na het diploma. Het studiekostenbeding is bedoeld om dat te ondervangen: de werknemer betaalt de opleidingskosten geheel of gedeeltelijk terug als hij binnen een afgesproken periode vertrekt. Sinds augustus 2022 is de ruimte daarvoor flink kleiner geworden.
Artikel 7:611a BW bepaalt dat scholing die de werkgever op grond van de wet of de CAO moet aanbieden kosteloos is voor de werknemer. Die scholing telt bovendien als arbeidstijd en vindt zoveel mogelijk onder werktijd plaats. Een studiekostenbeding over dat type opleiding is nietig, ook als de werknemer het netjes heeft ondertekend. Onder verplichte scholing valt bijvoorbeeld veiligheidstraining, verplichte vakbekwaamheid uit een CAO en scholing die nodig is om het werk voort te zetten als de functie verandert of komt te vervallen. Buiten de kosteloosheid vallen opleidingen die iemand nodig heeft om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen, zoals de beroepsopleiding voor advocaat-stagiairs.
Gaat het om scholing die niet verplicht is, dan mag je terugbetaling wel afspreken. De Hoge Raad formuleerde daarvoor in 1983 in het arrest Muller/Van Opzeeland drie voorwaarden die tot vandaag de norm zijn. Er moet een omschreven baattijdvak zijn: de periode waarin de werkgever geacht wordt profijt te hebben van de opleiding, in de praktijk tussen één en drie jaar na afronding. Er moet een glijdende schaal zijn: de terugbetalingsverplichting neemt naar evenredigheid af naarmate dat tijdvak verstrijkt. Een beding waarin de werknemer na 23 maanden nog het volle bedrag betaalt en na 24 maanden niets, houdt geen stand. En de werknemer moet vooraf geïnformeerd zijn: vóór de start van de opleiding weet hij welke kosten hij mogelijk moet terugbetalen en onder welke omstandigheden.
Ook een beding dat aan alle drie de voorwaarden voldoet, kan alsnog stranden. Eindigt het dienstverband op initiatief van de werkgever, bijvoorbeeld door een reorganisatie, dan is terugvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaak onaanvaardbaar. De werknemer heeft het vertrek dan immers niet zelf veroorzaakt.
Benoem in het beding precies welke kosten meetellen: collegegeld, examengeld, studiemateriaal, reiskosten. Laat loon over studie-uren buiten het terug te vorderen bedrag, want bij verplichte scholing geldt die tijd als arbeidstijd en bij vrijwillige scholing leidt het vrijwel altijd tot matiging.
Pak drie arbeidsovereenkomsten of contractmodellen uit je eigen organisatie erbij en loop de bedingen na.
- Concurrentie of relatie: bepaalde of onbepaalde tijd, is er een motivering en hoe concreet is die, welke duur en welk gebied?
- Nevenwerkzaamheden: absoluut verbod of meldplicht met bezwaarmogelijkheid? Welke objectieve rechtvaardigingsgrond zou je noemen als iemand morgen iets meldt?
- Boete: is de overtreding nauwkeurig omschreven, staat er een bestemming in, is het bedrag in euro's, en staat er de verboden combinatie van boete en volledige schadevergoeding?
- Studiekosten: is er een baattijdvak, loopt de terugbetaling geleidelijk af, en zou de opleiding onder de kosteloze scholing van artikel 7:611a BW kunnen vallen?
Noteer per beding of het houdbaar is, twijfelachtig of vrijwel zeker nietig. Voor het zwakste beding formuleer je een verbeterde tekst van maximaal vijf zinnen, en die leg je voor aan een jurist voordat hij in het modelcontract terechtkomt.
Samenvatting
- Een concurrentie- of relatiebeding is alleen geldig als het schriftelijk met een meerderjarige werknemer is afgesproken, en bij een contract voor bepaalde tijd concreet gemotiveerd is in het contract zelf.
- De rechter kan zo'n beding vernietigen of matigen in duur, gebied en werkzaamheden, kan een vergoeding opleggen voor de duur van de beperking, en het beding vervalt bij ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
- Een relatiebeding valt juridisch onder dezelfde regel, maar houdt het vaker vol omdat de beperking lichter is. Omschrijf de relatiekring scherp.
- Een verbod op nevenwerkzaamheden is nietig zonder objectieve rechtvaardigingsgrond. De vier gronden die opgaan zijn gezondheid en veiligheid, vertrouwelijke informatie, belangenconflicten en de integriteit van overheidsdiensten. Een meldplicht is sterker dan een verbod.
- Een boetebeding vraagt om schriftelijke vastlegging, een nauwkeurig omschreven overtreding, een bestemming buiten de werkgever om, een bedrag in euro's en een weekmaximum van een half dagloon. Boven het minimumloon mag je van de laatste drie afwijken, maar de rechter kan altijd matigen.
- Voor dezelfde overtreding kies je tussen boete en schadevergoeding, nooit allebei.
- Verplichte scholing betaal je als werkgever zelf en die kosten vorder je niet terug. Voor niet-verplichte opleidingen gelden een omschreven baattijdvak, een geleidelijk aflopende terugbetaling en informatie vooraf.
- Dit is algemene uitleg en geen juridisch advies. Een CAO kan voorgaan, en of een beding in jouw geval standhoudt beoordeelt uiteindelijk de rechter. Leg een concrete casus voor aan een jurist.
In een contract voor bepaalde tijd staat een concurrentiebeding met als onderbouwing "gelet op de bedrijfsbelangen van werkgever". Wat is daarvan het gevolg?
Een medewerker meldt dat hij in het weekend gaat werken bij een bedrijf dat niets met jullie markt te maken heeft. Wat is sinds augustus 2022 het uitgangspunt?
Een werkgever betaalt een verplichte veiligheidstraining uit de CAO en wil die kosten terugvorderen als de medewerker binnen een jaar vertrekt. Kan dat?
Klaar voor de volgende stap?
Je hebt de gratis starter van Arbeidsovereenkomst: rechten en plichten afgerond. Het volgende hoofdstuk in de volledige training is Het speelveld van het arbeidsrecht: Waar de regels vandaan komen, de rangorde van de rechtsbronnen en de levensloop van een dienstverband.
Volg de 1-daagse training →Vanaf €625,- excl. btw · met een ervaren trainer erbij