2. Ambivalentie en de taal van behoud

Iemand overweegt al drie jaar te stoppen met roken. Hij weet dat het slecht is, hij heeft twee ouders verloren aan de gevolgen, zijn kinderen zeggen er iets van. En toch staat hij elke ochtend weer op het balkon. Vraag je of hij wil stoppen, dan zegt hij "ja, eigenlijk wel". Vraag je wanneer, dan zegt hij "nou, nu even niet". Allebei de antwoorden zijn oprecht. Dat is geen slapheid en geen uitvlucht; dat is ambivalentie, en het is de normale toestand van iemand die op het randje van verandering staat.

Leerdoelen

Na dit hoofdstuk:

  • Kun je uitleggen wat ambivalentie is en waarom het geen teken van gebrek aan motivatie is.
  • Herken je de vijf vormen van behoudtaal in wat iemand zegt.
  • Begrijp je waarom tegenargumenten op behoudtaal juist meer behoudtaal opleveren.
  • Kun je de functie horen die het huidige gedrag voor iemand vervult.
  • Weet je hoe je beide kanten van de weegschaal erkent zonder er een te kiezen.

Twee kanten die allebei waar zijn

Ambivalentie is de gelijktijdige aanwezigheid van willen-veranderen en willen-houden. Geen van beide stemmen liegt. De ene zegt dat het te veel kost, de andere zegt dat het iets oplevert waar nog niets voor in de plaats is. Ze bestaan naast elkaar, en juist dat maakt het gesprek lastig.

De grootste denkfout die je als professional kunt maken, is denken dat ambivalentie een probleem is dat je moet oplossen. Alsof twijfel een symptoom is van te weinig motivatie, te weinig discipline of te weinig inzicht. Vanuit die gedachte ga je vanzelf duwen: "maar je weet toch dat...", "je hebt zelf gezegd dat...", "als je nou eens...". Het voelt hulpvaardig en het is het tegenovergestelde.

Ambivalentie is geen defect. Het is de normale reactie op elke keuze die iets kost. Wie afvalt, verliest ook zijn troost. Wie stopt met drinken, verliest ook een sociale routine. Wie verhuist voor een baan, verliest zijn vrienden om de hoek. Overal waar verandering iets belooft, staat er ook iets tegenover dat weggaat. Ambivalentie is de interne boekhouding die dat tegen elkaar afweegt. Wie die boekhouding niet doet, zit niet in twijfel; die heeft de keuze al gemaakt.

Schema met een weegschaal in evenwicht tussen behoudtaal en verandertaal, en daaronder de vijf vormen van behoudtaal: verlangen, niet kunnen, redenen, behoefte en voornemen, elk met een voorbeeldzin.
Behoudtaal en verandertaal wegen allebei mee. Kies jij een kant, dan gaat de ander de andere verdedigen.

De vijf vormen van behoudtaal

Behoudtaal is alles wat iemand hardop zegt om het huidige gedrag te verdedigen, uit te leggen of te rechtvaardigen. Het is de stem van hoe het nu is. Wie behoudtaal hoort, hoort niet iemand die niet wil, maar iemand die één kant van zijn eigen weegschaal onder woorden brengt. Er zijn vijf vormen, en het helpt om ze uit elkaar te houden, want ze vertellen je verschillende dingen.

  • Verlangen naar het huidige gedrag. "Ik vind dat glas wijn 's avonds gewoon lekker." Het huidige gedrag is prettig, en dat zegt hij hardop.
  • Niet kunnen veranderen. "Ik heb het al zo vaak geprobeerd, het lukt me toch niet." Hij twijfelt aan zijn eigen vermogen, niet aan de wenselijkheid.
  • Redenen om niet te veranderen. "Als ik stop met roken word ik onuitstaanbaar voor mijn collega's." Hij benoemt de nadelen van de verandering zelf.
  • Behoefte om te houden. "Ik heb dit echt nodig om te ontspannen." Hij wijst op een functie die het gedrag vervult.
  • Voornemen om het zo te laten. "Ik ga er voorlopig gewoon mee door." Hij legt zich vast op de huidige situatie.

Het verschil doet ertoe. Iemand die zegt dat het hem toch niet lukt, heeft een ander gesprek nodig dan iemand die zegt dat hij het lekker vindt. Bij de eerste gaat het over zelfvertrouwen, bij de tweede over wat er in de plaats komt. Hoor je alleen "hij wil niet", dan mis je dat verschil en geef je allebei dezelfde ongevraagde tip.

Voorbeeld

Een cliënt die overweegt te stoppen met online gokken zegt in één adem het volgende:

"Ik weet dat het gek klinkt, maar als ik 's avonds thuiskom is dat spel gewoon het enige wat me nog laat ontspannen. Ik weet ook wel dat het geld kost en dat mijn vrouw er ziek van wordt. Vorige week nog, toen zei ze dat het zo niet langer kan. En ergens heeft ze gelijk. Maar ja, wat doe ik dan 's avonds?"

In dertig seconden staan er vier dingen op tafel. Behoudtaal: "het enige wat me laat ontspannen" (behoefte) en "wat doe ik dan 's avonds" (opnieuw de functie). Verandertaal: "het kost geld" en "mijn vrouw wordt er ziek van" (redenen). Zijn weegschaal staat in evenwicht en beide kanten hoor je binnen dezelfde alinea.

Waarom tegengas meer behoudtaal oplevert

Behoudtaal is verraderlijk voor wie de methode net leert, want ze klinkt als iets waar je tegenin moet. Zegt iemand "het valt wel mee", dan wil je laten zien dat het niet meevalt. Zegt iemand "ik kan zo stoppen als ik wil", dan wil je uitleggen waarom dat waarschijnlijk niet klopt. Je hebt vaak nog gelijk ook.

Het punt is wat het oplevert. Hoe vaker iemand behoudtaal uitspreekt, hoe overtuigder hij van zijn eigen argumenten raakt. Ga jij ertegenin, dan lokt jouw duw meer behoudtaal uit, en overtuigt hij daarmee vooral zichzelf. Je hebt het gesprek gewonnen en de verandering verloren.

Tip

Behoudtaal is diagnostische informatie, geen tegenstand. Hoor je hem, dan weet je twee dingen: er is ambivalentie, anders was er geen verdediging nodig, en je hoort welke functie het huidige gedrag voor deze persoon vervult. Die functie heb je later nodig, want daar moet iets voor in de plaats komen.

Beide kanten erkennen, zonder te kiezen

Als je snapt dat ambivalentie normaal is, hoef je niet meer te schrikken van het moment waarop iemand zijn twijfels benoemt. Je gaat het zelfs waarderen dat het hardop gezegd wordt, want anders bleef het onzichtbaar. Dat vraagt drie dingen van je, en ze zijn alle drie lastiger dan ze lijken.

Erken de ambivalentie hardop. Benoem dat er twee kanten zijn en dat beide echt zijn. "Aan de ene kant helpt het je ontspannen, aan de andere kant merk je dat je gezondheid eronder lijdt. Allebei waar." Daarmee laat je zien dat je het hele verhaal hebt gehoord, niet alleen de helft die jou uitkomt.

Blijf weg van het "ja, maar". Zodra jij een "ja, maar" toevoegt aan wat de ander zegt, kies je een kant van zijn innerlijke discussie, en gaat de andere kant harder terugduwen. Vervang "ja, maar" door "en tegelijk", of laat de tegenwerping gewoon weg.

Onderdruk het oordeel over welke kant goed is. Ook als voor jou zonneklaar is wat verstandig zou zijn, is dat jouw plaatje. Knik niet extra enthousiast bij een argument voor verandering en trek niet je wenkbrauwen op bij een argument om te houden. Voor de ander moet allebei even veilig zijn om uit te spreken, anders krijg je alleen het deel te horen waarvan hij denkt dat jij het wilt horen.

Voorbeeld

Teamleider Karin hoort van haar medewerker Joost, die al veertien maanden vier dagen thuiswerkt: "Ik weet dat het handiger is als ik vaker op kantoor ben, maar dat uur reizen per dag krijg ik er gewoon niet meer bij."

Karin met oordeel: "Er zijn zat mensen die een uur reizen, hoor. En je bent er twee jaar geleden ook elke dag geweest."

Joost, meteen daarna: "Ja, maar toen had ik ook geen kind op de opvang. Ik red dat gewoon niet." Karin heeft één zin gezegd en er staan nu twee nieuwe redenen op tafel om het te laten zoals het is.

Karin zonder oordeel: "Die dagen thuis leveren je iets op waar je nog niets voor terug hebt. En tegelijk merk je zelf dat het op kantoor makkelijker zou gaan."

Joost, na een korte stilte: "Ja. Eerlijk gezegd loop ik ook dingen mis. Dat gedoe met die offerte vorige maand was niet gebeurd als ik erbij had gezeten." Dat is een zin die Karin niet had kunnen uitspreken zonder dat hij zijn kracht verloor.

Oefening

Neem de casus die je in hoofdstuk 1 hebt opgeschreven, of een nieuwe: iemand die twijfelt over een verandering.

  • Schrijf drie tot vijf uitspraken op die pleiten voor het houden zoals het is. Letterlijk, zoals ze klonken.
  • Zet achter elke uitspraak welke van de vijf vormen het is: verlangen, niet kunnen, redenen, behoefte of voornemen.
  • Welke functie vervult het huidige gedrag voor deze persoon? Wat levert het hem op?
  • Welke uitspraken wezen richting verandering? Ook als het er maar één was.
  • Heb je op de behoudtaal gereageerd met een "ja, maar", een argument of een oplossing? Schrijf op wat je zei.
  • Formuleer een reactie die beide kanten erkent zonder een kant te kiezen. Eén zin.

Samenvatting

  • Ambivalentie is willen-veranderen en willen-houden tegelijk. Het is normaal en het hoort bij elke keuze die iets kost.
  • Twijfel is geen gebrek aan motivatie; het is de interne afweging tussen wat verandering oplevert en wat ze kost.
  • Behoudtaal heeft vijf vormen: verlangen naar het huidige gedrag, twijfel aan eigen kunnen, redenen tegen verandering, de behoefte die het gedrag vervult, en het voornemen het zo te laten.
  • Het verschil tussen die vormen bepaalt welk gesprek nodig is: over zelfvertrouwen, of over wat er in de plaats komt.
  • Ga je tegen behoudtaal in, dan lokt dat meer behoudtaal uit en overtuigt de ander vooral zichzelf.
  • Behoudtaal is informatie: je hoort welke functie het huidige gedrag vervult, en die heb je later nodig.
  • Erken beide kanten hardop, vervang "ja, maar" door "en tegelijk", en oordeel niet over welke kant de goede is.
Kennischeck

Iemand zegt: "Ik heb het al zo vaak geprobeerd, het lukt me toch niet." Welke vorm van behoudtaal is dit?

Waarom noemt dit hoofdstuk behoudtaal "diagnostische informatie"?

Wat is volgens dit hoofdstuk het probleem met "ja, maar" in reactie op twijfel?

Deel dit hoofdstuk: