Inleiding
Een training die blijft hangen ontstaat zelden op de dag zelf. Die ontstaat aan je bureau, weken ervoor, in de keuzes die je maakt over de vraag, de doelen en de volgorde. Toch begint bijna iedereen met het leuke deel: werkvormen zoeken. Het gevolg is een programma vol goede onderdelen waarvan achteraf niemand kan zeggen wat het heeft veranderd.

Deze gratis cursus bevat de vier hoofdstukken uit het oranje deel van de balk hierboven. Onderaan hoofdstuk 4 vind je de volledige training.
Wat je gaat leren
Je leert een trainingsvraag uit elkaar halen tot je weet welk gat je eigenlijk dicht. Je zet dat gat om in doelen die je kunt toetsen, in plaats van in richtingen waar iedereen het mee eens is. Je bouwt daar een programma omheen dat in de beschikbare uren past, met genoeg tijd om te oefenen. En je spreekt vooraf af hoe je zes weken later vaststelt of er iets is veranderd. Daarna gaat de training verder met de modellen achter het leren zelf, met het kiezen van je kernoefening en met het draaiboek waar je op de dag echt iets aan hebt.
Hoe de cursus is opgebouwd
De vier hoofdstukken volgen de volgorde waarin je een training ook echt ontwerpt. Je begint bij de vraag: wat is hier eigenlijk het probleem, en van wie is het? Dan het doel: wat doet iemand straks anders, en hoe zien we dat? Daarna het programma: welke blokken, in welke volgorde, met hoeveel oefentijd? En tot slot het effect: hoe weet je over zes weken of het geland is? Die laatste stap brengt je weer terug bij de eerste, want wat je meet vertelt je waar je ontwerp niet klopte.
Deze cursus heeft één zin die overal terugkomt: eerst het gat, dan het programma. Het gat is het verschil tussen wat je deelnemers nu doen en wat ze straks moeten doen. Zolang dat gat niet op papier staat, is elke werkvorm die je kiest een gok. In de training heet zo'n zin een kapstokwoord, en in hoofdstuk 3 lees je hoe je er zelf een maakt voor je eigen programma.
Voor wie deze cursus bedoeld is
Voor iedereen die iets moet overbrengen aan een groep en daar zelf de opzet voor bedenkt. Dat kan een trainer of opleidingsadviseur zijn, maar net zo goed een teamleider die een werksessie voorbereidt, een specialist die collega's wegwijs maakt in een nieuw systeem, of iemand die na een reorganisatie een middag mag vullen over samenwerken. Je hoeft geen onderwijsachtergrond te hebben. Wat je wel nodig hebt, is een echte vraag om aan te werken.
Praktische tips voor gebruik
- Kies één trainingsvraag van jezelf en houd die de hele cursus vast. Alle oefeningen werken op dezelfde casus, zodat je aan het eind niet vier losse antwoorden hebt maar een half ontwerp.
- Houd een notitieblok of een leeg document bij de hand. De oefeningen zijn bedoeld om te pennen, niet om te lezen.
- Lees niet alles in één ruk uit. Een hoofdstuk per week, met een gesprek of een telefoontje ertussen, levert meer op dan een middag doorlezen.
- Sla hoofdstuk 1 niet over omdat je het onderwerp al kent. Juist wie de inhoud goed kent, slaat het onderzoek naar de vraag te snel over.
- Merk je halverwege dat je doel niet klopt? Ga terug. Dat is geen tijdverlies, dat is het model.
Elk hoofdstuk sluit af met een korte kennischeck van drie vragen: beantwoord ze goed om het hoofdstuk als afgerond te markeren. Je voortgang wordt automatisch onthouden in je browser.
Veel leesplezier. En als je straks één ding meeneemt: eerst het gat, dan het programma.