2. Voordoen en laten doen
Uitleggen voelt productief. Er gebeurt iets, de groep kijkt mee, jij bent bezig en je komt door je stof heen. Stilte terwijl twaalf mensen zitten te typen voelt leeg, alsof je niets doet. Toch is die stilte precies het moment waarop het leren gebeurt. Dit hoofdstuk gaat over de verhouding tussen jouw spreektijd en hun doe-tijd, en over de rekensom die je op je eigen draaiboek kunt loslaten.
Na dit hoofdstuk:
- Benoem je de zes lagen van de leerpiramide van Bales met het percentage dat erbij hoort.
- Bereken je voor je eigen programma hoeveel minuten er in de onderste twee lagen zitten.
- Bouw je een blok om naar korte cycli van uitleg en oefening.
- Geef je een demonstratie die te volgen is, en weet je waarom je die niet te lang maakt.
- Plan je herhaling bewust in, gespreid en in wisselende vormen.
Zes lagen van verwerking
De leerpiramide is genoemd naar Robert Bales en laat zien hoeveel van de stof na ongeveer twee weken nog oproepbaar is, afhankelijk van hoe de cursist die stof heeft verwerkt. Bovenin staan de passieve vormen, onderin de actieve. De percentages zijn geen precieze meetwaarden, maar de rangorde is stabiel en daar heb je genoeg aan.

Van boven naar beneden: lezen levert ongeveer tien procent op, dus de handleiding meesturen is bijna niets. Horen komt op twintig procent, en dat is jouw uitleg. Zien haalt dertig procent, denk aan een schema of een screenshot. Horen en zien samen, oftewel jouw demonstratie op het scherm, komt op vijftig procent. Daaronder wordt het pas interessant: zelf doen en bespreken zit rond vijfenzeventig procent, en aan een ander uitleggen op negentig procent.
Voor een technische training is die volgorde ongemakkelijk. De vormen waar je als vakinhoudelijk expert het makkelijkst naar grijpt, staan allemaal in de bovenste helft. Een handleiding meesturen is lezen. Een goede uitleg geven is horen. Een architectuurplaat tonen is zien. Zelfs de demonstratie waar je een uur aan hebt gewerkt komt niet verder dan de helft. Pas als de cursist zelf typt, zelf de fout maakt en zelf herstelt, zit je in de onderste twee lagen.
De rekensom op je draaiboek
Je legt de piramide naast je draaiboek en telt de minuten per werkvorm. Hoeveel minuten ben jij aan het woord of aan het klikken, en hoeveel minuten doen zij zelf iets? Veel technische trainingen komen uit op ongeveer zeventig procent zenden en dertig procent doen, terwijl het resultaat om de omgekeerde verhouding vraagt.
Neem een blok van dertig minuten met twintig minuten demonstratie en tien minuten oefenen. Dat keer je om: acht minuten laten zien, twee minuten samen benoemen wat er gebeurde, twintig minuten zelf laten uitvoeren. Zelfde blok, zelfde inhoud, andere opbrengst. En je hoeft er geen tijd bij te vragen; je verschuift alleen waar de minuten naartoe gaan.
Jeroen verzorgt een middag over een nieuw ticketsysteem: drie uur, twaalf deelnemers van de servicedesk. In zijn eerste opzet geeft hij veertig minuten rondleiding door alle schermen, gevolgd door een oefening waarin iedereen vijf tickets aanmaakt en afhandelt. In de praktijk strandt de helft van de groep bij het eerste ticket, want de categorie-indeling van veertig minuten geleden hebben ze niet meer paraat. Hij is de laatste veertig minuten kwijt aan brandjes blussen.
In zijn herziene opzet vertelt hij acht minuten over het aanmaken van een ticket en laat hij daarna iedereen één ticket aanmaken. Zeven minuten over categoriseren en toewijzen, dan drie tickets categoriseren. Zes minuten over afhandelen en afsluiten, dan de tickets afronden. Zijn spreektijd zakt van veertig naar eenentwintig minuten, dezelfde middag, en alle twaalf deelnemers komen aan het eind uit op vijf afgehandelde tickets.
Werken in korte cycli
Minder uitleg is niet zomaar beter. Een oefening zonder voorafgaande uitleg levert vooral zoekgedrag op, en een te snelle demonstratie levert handelingen op die niemand kan herhalen. Wat wel werkt is afwisseling in korte cycli: je legt een afgebakend stukje uit, laat het meteen doen, en gaat pas daarna verder.
In technische trainingen ligt de bruikbare eenheid tussen de vijf en tien minuten uitleg, gevolgd door tien tot vijftien minuten zelf doen. Ga je daar structureel overheen, dan is de eerste helft van je uitleg al weggezakt voordat de oefening begint. Met cycli krijg je bovendien vier keer per uur zicht op wat er misgaat in plaats van één keer. Zit iemand vast op stap twee, dan merk je dat na tien minuten en niet na veertig. Dat scheelt reparatietijd, en het scheelt de deelnemer het gevoel dat hij de enige is die achterloopt.
Spreek bij elke doe-opdracht af waaraan je in één oogopslag ziet dat het gelukt is. Het account staat in de lijst. Het ticket heeft de status afgehandeld. De query geeft vier rijen terug. Zo'n zichtbare uitkomst maakt rondlopen makkelijk: je hoeft niet te vragen of het lukt, je ziet het aan het scherm.
Een demonstratie die te volgen is
De demonstratie is het scharnier tussen jouw uitleg en hun oefening, en het is de plek waar de meeste tijd weglekt. Vier dingen maken het verschil. Je kondigt eerst aan wat je gaat doen en waar het toe leidt, zodat de groep weet waar ze naar kijkt. Je doet het op de snelheid waarop iemand het naschrijft, niet op de snelheid waarop jij het zou doen. Je benoemt bij elke klik hardop wat je aanwijst en waarom, want zonder woorden zien twaalf mensen twaalf verschillende dingen. En je doet het één keer helemaal en dan pas nog een keer met tussenstops, in plaats van andersom.
Twee gewoonten kosten je de groep. De eerste is praten tegen je eigen scherm: je woorden verdwijnen dan in de monitor en je ziet niet dat drie mensen zijn afgehaakt. De tweede is tijdens het voordoen toch nog even iets anders laten zien, omdat het toevallig langskomt. Dat ene uitstapje verdubbelt het aantal stappen dat de groep moet onthouden.
Laat de groep tijdens jouw demonstratie de handen van het toetsenbord houden en zeg dat er daarna tijd is om het zelf te doen. Meetypen tijdens een demo klinkt efficient, maar het levert twaalf mensen op die achterlopen en niets van je uitleg horen. Eerst kijken, dan doen.
Herhaling die beklijft
Één keer uitleggen is geen leren, het is aanbieden. Wat je vandaag oefent zakt binnen enkele dagen weg als er niets meer mee gebeurt. Herhaling remt die terugval af, maar dan wel op de goede manier: gespreid in plaats van gestapeld, en ophalen in plaats van opnieuw aanbieden. Drie keer tien minuten verdeeld over een dag levert meer op dan dertig minuten achter elkaar. En een cursist die uit zijn hoofd de stappen benoemt, versterkt zijn geheugenspoor, terwijl iemand die jou de stappen hoort opsommen alleen herkent wat hij hoort.
Drie vormen die weinig tijd kosten. Ophaalvragen bij de start van een blok: je begint een nieuw onderdeel met twee vragen over het vorige. Niet als overhoring, maar als opwarming: wie kan uit zijn hoofd zeggen waar je de rechten instelt? Variatie in vorm: wat je eerst hebt voorgedaan, laat je later opschrijven als stappenplan en nog later uitleggen aan een buurman die het nog niet snapt. Elke vorm legt een ander spoor aan, en dat laatste is meteen de onderste laag van de piramide. Herhaling na de training: een korte opdracht die de cursist binnen een week op zijn eigen werkplek uitvoert, met een spiekkaart erbij. Zonder die verankering is alles wat je op de trainingsdag hebt opgebouwd afhankelijk van toeval.
Sanne traint veertien monteurs op een nieuwe app voor werkbonnen. Ze kiest vooraf drie kernhandelingen die absoluut moeten blijven hangen: bon openen, uren en materiaal invullen, bon afmelden. Elke handeling komt drie keer terug, in drie vormen. In de ochtend doet ze het voor en oefenen ze het. Na de lunch schrijven ze in duo's de stappen op een kaartje, uit hun hoofd. Aan het eind van de middag legt iedereen één van de drie handelingen uit aan zijn buurman. Vier weken later blijkt uit de meldingen bij de helpdesk dat er over die drie handelingen niet gebeld is; de vragen die wel binnenkomen gaan allemaal over het vierde onderwerp, dat ze die dag maar één keer heeft laten zien.
Pak het draaiboek van een sessie die je onlangs gaf of binnenkort geeft en tel de minuten per werkvorm.
- Totale lestijd in minuten.
- Minuten lezen, horen en zien, dus de bovenste drie lagen.
- Minuten demonstratie, de laag horen en zien.
- Minuten zelf doen, bespreken of aan elkaar uitleggen, de onderste twee lagen.
- Het percentage dat in die onderste twee lagen valt.
Kies daarna het blok waarin de verhouding het scheefst ligt en knip het in drie cycli van maximaal acht minuten uitleg met een doe-opdracht erachter. Schrijf per opdracht op waaraan je in één oogopslag ziet dat het gelukt is. Noteer tot slot welke twee of drie kernhandelingen drie keer moeten terugkomen, en in welke drie vormen.
Samenvatting
- De leerpiramide loopt van lezen (10%), horen (20%) en zien (30%) via horen en zien (50%) naar zelf doen en bespreken (75%) en aan een ander uitleggen (90%).
- De vormen waar een vakexpert het snelst naar grijpt, zitten allemaal in de bovenste helft; ook je demonstratie komt niet verder dan de helft.
- Tel de minuten in je draaiboek. Veel technische trainingen staan op zeventig procent zenden terwijl het resultaat om het omgekeerde vraagt.
- Werk in cycli van vijf tot tien minuten uitleg met tien tot vijftien minuten zelf doen, en spreek per opdracht af waaraan je ziet dat het gelukt is.
- Een demo doe je op naschrijfsnelheid, met hardop benoemen wat je aanwijst, handen van het toetsenbord bij de groep.
- Herhaal gespreid en in wisselende vormen, laat de cursist zelf ophalen, en geef een korte opdracht mee voor de eigen werkplek.
Op welke laag van de leerpiramide zit een demonstratie waarbij jij het voordoet en de groep kijkt en luistert?
Je hebt een blok van dertig minuten met twintig minuten demonstratie en tien minuten oefenen. Wat stelt dit hoofdstuk voor?
Waarom werkt ophalen beter dan opnieuw aanbieden?